vrijdag 6 september 2019

Maandag 2 september – dag 9: Cedar Breaks – Glendale


Het moet voor mij een makkie zijn om de pot met goud te vinden. Niet vanwege de goudmijnen in de regio, maar vanwege de regenboog die zich luid en duidelijk manifesteert op mijn enkel. Maar ja, ik laat dat lichaamsdeel toch liever ongemoeid; het is duidelijk dat het wat meer rust nodig heeft dan ik dacht. Intussen ik heb wel mooi de Alpine Trail gelopen, had ik niet willen missen!

Wat ik nog vergeten was te melden over Cedar Breaks: overal in het park zie je dode bomen tussen jonge, groene exemplaren staan. Dat komt door de schorskever. Die beestjes leggen, in een cyclus van 300 jaar, eitjes in de laag vlak onder de schors van de Engelmann naaldbomen. Daartoe boren ze eerst een gaatje in de schors, en daardoor wordt in die laag de sapstroom van de boom onderbroken. Die sapstroom is onontbeerlijk voor de boom om in leven te blijven. De larven voeden zich met die laag waardoor het einde verhaal is voor de boom. Maar dat is juist goed, het zorgt voor een natuurlijk verjongingsproces. De laatste cyclus, die nu bezig is, begon in 1992 en komt langzamerhand tot een eind.
We hebben heerlijk geslapen, met de thermokleding aan was het meer dan warm genoeg. Na ons favoriete ontbijt van granola, Griekse yoghurt, banaan en ahornsiroop braken we de tent af om naar een nieuwe kampeerplek te rijden. Die was min of meer om de hoek, in Glendale. Op weg ernaar toe zagen we enorme lava-velden, een tamelijk bijzonder verschijnsel dat je hier niet direct verwacht. Hele gebieden vol met grote brokken zwarte lavasteen. Verder was het voor Amerikaanse begrippen erg druk op de weg, iedereen ging huiswaarts na het lange weekend. Veel mensen sleepten op een aanhanger een quad achter zich aan. Die vierwielige mini-jeeps hadden we al regelmatig voorbij zien en vooral horen komen hier in de omgeving. Het lijkt erop dat elk zichzelf respecterend gezin zo’n nieuwe huisgenoot heeft. En je kunt er natuurlijk ook aardig op crossen hier, dirt roads in overvloed, maar of dat voor de natuur nu zo goed is?

Bij de familie Bauer kamperen we altijd minimaal een nachtje als we in de buurt zijn. Je staat er op gras, onder oude appelbomen en hoewel het sanitair verouderd is voldoet het prima, met goede douches en een wasmachinehok waar je voor $1,50 de was kunt doen. Dit laatste was voor ons een belangrijke reden ook dit jaar weer een tussenstop in te voegen. En hoe bijzonder, we waren de enigen! Het hele veld voor ons alleen, geweldig. Deze campground ligt eigenlijk heel mooi centraal tussen Zion, Bryce en Cedar Breaks. Ook kun je makkelijk naar Kanab rijden, of naar het Pipe Spring State Park. Dus voor wie geen plaats meer kan krijgen op de overvolle campgrounds van Zion is dit misschien een goed alternatief. Reserveren hoeft niet en er is altijd plaats. Overigens gaat het dan wel om het tentveld, met een camper/RV sta je op het voorstuk en dat is drukker. Met de tent betaal je $20, warme douches inbegrepen.




Goed, wij gingen níet naar Zion of naar Bryce. Zion is langzamerhand zo verschrikkelijk overlopen dat het niet leuk meer is. Overal is het file-wandelen. En in Bryce waren we vorig jaar, nu hadden we min of meer dezelfde rotsformaties al in Cedar Breaks gezien. Kortom, een rustdag! We waren er al om 11.30, tijd genoeg om het blog bij te werken en eindelijk weer eens wat updates te posten. Verder valt er weinig te melden. Dat vinden we nu zo heerlijk aan het kamperen, als je eens een dag rustig aan wilt doen heb je gewoon je eigen huis bij je. Je pakt eens een drankje, kunt lekker je eigen potje koken en er hoeft verder niets. Echt een deel van de pret voor ons. 

De voet werd hoog gelegd, de laptop opengeklapt en Bert ontfermde zich net als thuis over de was. Toen ik even een telefoon aan de lader ging leggen in het washok trof ik daar een Amerikaanse dame. We raakten in gesprek, ze vertelde dat ze de was van vier weken aan het doen was. Het hok stond dan ook vol met wasmanden. Ze hadden, toen ze gepensioneerd waren, hun huis verkocht en een grote RV aangeschaft. Daarin woonden ze nu, in Florida. Maar met een RV kun je rijden, dus dat deden ze. Van Florida tot aan Olympic Park via o.a. Yellowstone, toen Oregon, Californië, en nu Utah. Ruim twee maanden waren ze al onderweg en ze worstelde met de duizenden foto’s die ze gemaakt hadden. Opeens brandde ze los over de president. ‘Die man moet weg! Hij is verschrikkelijk! Een ramp!’ en zo ging het nog even door. Het zit bij veel mensen zó ontzettend hoog, dat merken we steeds weer, en toch is niemand kennelijk bij machte er iets aan te doen. Ik heb haar maar sterkte gewenst…

In het begin van de avond, net toen we klaar waren met eten, begon het heel hard te waaien. Bert voelde zelfs één regendruppel. Omdat we toch zin in koffie hadden hebben we alles maar naar de veranda bij het sanitairgebouw gesleept, en zo konden we uit de wind (regen viel er uiteindelijk niet) op een bankje van onze avondkoffie genieten. Niets te klagen en dat doen we dus ook niet! Alleen toch jammer dat ik naar die pot goud kan fluiten…

dinsdag 3 september 2019

Zondag 1 september – dag 8: Cedar Breaks

Eerst even ter geruststelling: we zitten regelmatig in een zone zonder bereik. Dat betekent dat er soms een paar dagen geen update geplaatst kan worden, maar zodra we ergens stabiel internet hebben zet ik nieuwe posts online!

Het kan dooien of het kan fleecen, zei Bert. Om maar even aan te geven dat het wel koud was geweest vannacht. Ik schat zo iets van een graad of vijf. Goed, komende nacht dus maar aan de thermokleding, die hebben we tenslotte niet voor niets meegenomen.
Om acht uur stonden we op, het was alweer lekker warm aan het worden. In het zonnetje dronken we onze eerste kampeerkoffie van deze vakantie, dat is altijd een bijzonder moment. Daarna haalden we alle tassen overhoop om ons opvouwbare afwasteiltje te zoeken dat we ALTIJD meenemen. Behalve deze keer dus…onvindbaar. Nou ja, dan maar een plastic exemplaar kopen bij de Walmart. Ik heb thuis een lijst met wat er mee moet, onbegrijpelijk dat ik dit gemist had. Nog iets geks: ik heb sinds enkele jaren ook een lijst met wat er aan kleding mee moet. Dat is reuze handig want we namen vaak toch weer teveel mee. Maar deze keer had ik toch opeens een shirtje en een korte broek extra in mijn tas zitten die ik thuis al gezocht had maar niet gevonden. Hoe dat kan? In een van de zijvakjes van Berts rugzak vond ik die terug. Ze hebben daar een heel jaar ingezeten ;)

Toen de tassen weer ingepakt waren en de spullen in de auto nog even herschikt, reden we het park in. Het is niet groot maar wel erg de moeite waard! Bij de Alpine trail stapten we uit om wat rond te kijken. Ik zag dat er een korte trail was, van 2 mijl, die ook vrij makkelijk was en niet al te veel hoogteverschillen had. En omdat het met mijn enkel steeds beter ging besloten we een klein stukje ervan te lopen. En nog een stukje. En toen nog een stukje. Totdat we bij een schitterend meertje kwamen, Alpine Pond. Dat was al halverwege de wandeling. Kortom, we hebben het uitgelopen en mijn enkel deed wonderlijk goed mee! Ik heb echt veel geluk gehad, het had heel anders kunnen uitpakken. Overigens heeft diezelfde enkel, met toen behoorlijk ernstig letsel – ik maakte een flinke val van een paard, in de middle of nowhere ook nog – Bert en mij tot elkaar gebracht. Het voert te ver dat hier allemaal uit te leggen maar wie het naadje van de kous wil weten komt maar eens een glas wijn drinken.  

Aanduiding van mogelijkheid tot wildkamperen








Daarna reden we het hoofd van Brian op, ofwel Brian Head Peak. Ligt op meer dan 3350 meter hoogte en bood een fenomenaal uitzicht op de omgeving. Ik vroeg me wel af wat er met de rest van het lichaam gebeurd was maar dat moeten we bij gelegenheid maar eens aan het team van Monty Python vragen ( de makers van de geweldige film en hilarische film ‘Life of Brian’, met o.a. de beroemde song ‘Always look at the bright site of life’). Tot slot reden we nog naar het laatste uitzichtpunt voor een fenomenale blik op de rode rotsformaties.






Brian Head vanuit de verte
Het park hadden we nu wel zo’n beetje gezien. We zouden  om een uur of zes nog even naar het Sunset Point rijden om daar van de kleuren in de laagstaande zon te genieten maar eerst zetten we koers naar Cedar City. Want tja, dat afwasteiltje hè, en ook moesten we nog een zonnescherm voor in de auto hebben. Plus een paar extra rotspennen, we hadden er net een paar te weinig. IJs voor in de koelbox was ook alweer noodzakelijk en de auto had dorst…kortom, we maakten er een rondje. Toen we terugkwamen was het al zes uur geweest dus reden we direct door naar het Sunset Point dat op 5 minuten van onze tent lag. Helaas, voor schaduwen en diepe kleuren heb je toch echt meelicht nodig, en geen tegenlicht. Ach, het was zó ook mooi. Het aangeprezen wandelpad voerde slechts door geboomte en bood nauwelijks zicht op de rotsen. We lieten het maar voor wat het was.

Bij de tent hadden we buren gekregen. Een familie met vier kinderen had de RV betrokken. De vader hees zijn jongste zoontje net in een camouflagepak, een oudere jongen had er al een aan net als zijn vader. Ze hesen wat geweren op hun rug, stapten in een grote pick-up en vertrokken. Wat zouden die gaan doen? Je krijgt allerlei rare fantasiën...Moeder bleef met twee andere kinderen en de hond achter. De kinderen sprokkelden hout, en na een half uurtje brandde er een geweldig vuur. Niet echt overbodig, want het was alweer koud aan het worden. Net toen we bij wijze van toetje koffie aan het zetten waren kwam het meisje naar ons toe om ons uit te nodigen voor het vuur. Nou, dat lieten we ons geen twee keer zeggen! Zelf hadden we nog geen hout gekocht namelijk. Gewapend met het bord vol muffins van Lilly schoven we met onze stoelen aan bij het houtvuur. Natuurlijk stelden we ons voor, maar de familie was niet erg spraakzaam. Zo makkelijk als het met de mensen in Cathedral Gorge ging, zo moeilijk was het nu om een gesprek gaande te houden. We deden vreselijk ons best maar het hielp niet echt. Ik vroeg wat de vader en de jongens aan het doen waren: die waren op jacht. Ze wilden een Wapiti-hert (een Elk) schieten, en dat aten ze dan op. Nou ja, niet meteen natuurlijk, maar ze vroren het in. Dat was wel een rare gedachte, hoewel het duizenden malen diervriendelijker is dan het vlees uit de bio-industrie wat verpakt als worstjes en aldus onherkenbaar in de supermarkt ligt. Toen vader en zoons terug kwamen, zonder hert overigens, deden we nog een paar nieuwe pogingen een soort van conversatie op gang te krijgen. Het lukte enigszins maar bleef moeizaam Ze vertelden wel dat ze uit Californië hierheen verhuisd waren, dat wil zeggen naar Cedar City. De RV was voor hen een zomerhuisje waar ze elk weekend heengingen, tussen eind juni en begin oktober (afhankelijk van de sneeuw). Om negen uur leek het ons precies het juiste moment naar de tent te gaan en daar nog wat te lezen. We waren heerlijk doorgewarmd. Zij braken ook de boel op en dat was dat.




Zaterdag 31 augustus – dag 7: Cathedral Gorge – Cedar Breaks

Opeens waren wij toegetreden tot een schaapskudde, zonder dat we het wisten. Dat kwam zo: vanmorgen, terwijl iedereen druk was met de voorbereidingen van het ontbijt voor twintig personen (er waren alweer nieuwe familieleden gearriveerd) schoot Lilly mij aan. Ze stelde me voor aan een van haar kleindochters, een meisje van een jaar of achttien. Vol trots vertelde ze dat Kaylee, zo heette ze, in haar voetsporen zou treden. Over drie weken zou zij namelijk vertrekken naar Georgia, om daar tien maanden te werken voor de Gospel precies zoals zij zelf ook in Spanje gedaan had. ‘To find our sheep’, zoals Lilly het verwoordde. Daarna omhelsde ze mij stevig, zodat ik nu in de veronderstelling ben dat wij ook tot de kudde behoren. Lilly is werkelijk een schat, denkt eerst aan anderen en dan pas aan zichzelf. Dat hebben we in die paar uur dat we haar hebben leren kennen wel gemerkt.

Goed, we hadden onze eerste nacht in de tent erop zitten en dat was uitstekend bevallen. Gehypnotiseerd door het lichtgevend groen van mijn slaapzak was ik zó vertrokken, en Bert had dat kennelijk zijdelings meegekregen want die had óók uitstekend geslapen. Een warme douche (vrijwel in alle State Park campgrounds zijn douches aanwezig, in tegenstelling tot in die van de National Parks) en we waren klaar voor een nieuwe onderdompeling in het familiegebeuren. Bert brak nog bijna zijn rug toen Carmen hem vroeg of hij even wilde helpen, een grote koelbox uit een pick-ups te pakken en naar de picknickplaats brengen. Het ding woog zeker 30 kilo….helemaal volgeladen met grote pakken melk en vruchtensappen. Maar hij kreeg het voor elkaar! Het ontbijt bestond uit scrambled eggs, gemaakt in een grote gietijzeren pan op een enorm eveneens gietijzeren kookstel. José en Carmen bogen zich over die verantwoordelijke klus, de laatste had er voor de gelegenheid een schort bij aangetrokken. Daarnaast waren er tortillas, cereals in soorten en maten, en ongeveer honderd muffins in verschillende smaken. Die had Lilly thuis gebakken. Ook stonden er drie grote bakken met fruit. José liet ons zijn zelfgemaakte medium pittige salsa proeven en die was zonder meer verrukkelijk. Er waren jalapeño pepers en ook wat andere soorten, die kon je lekker in je tortilla rollen samen met het ei. Met de melk en de vruchtensappen een geweldig ontbijt. Het enige wat echt ontbrak: koffie….ons levenselixer…. Maar bovenal was het reuzegezellig! We kletsten er wat af. Carmen stond erop onze gegevens te krijgen waar we meteen gevolg aan gaven, we hadden met haar het meest een klik. Om kwart voor tien namen we van iedereen afscheid. Op verzoek van Shelley tekenden we de omtrek van onze handen op een kleed en schreven daar wat in, zoals iedereen deed voor de gastvrouw. Dat kleed werd thuis opgehangen als aandenken aan het weekend. Voor we weggingen moesten we ook nog even een ander ritueel ondergaan.  Shelley had een van de tafels helemaal volgeladen met pakjes. Overal stond iets op, als ‘boy under ten’ of ‘adult’ of ‘girl’. Er waren ook pakjes met een vraagteken. Ze gingen ’s middags een spel spelen – natuurlijk waren we van harte welkom – waarbij je dan om de beurt een pakje mocht uitpakken. Alles was gekregen van mensen die het weg wilden doen, of van de kringloop. Dus we moesten ons vooral niet bezwaard voelen, maar of we alsjeblieft iets uit wilden zoeken. We voelden ons eigenlijk wél een beetje bezwaard maar konden niet weigeren. Allebei zochten we een klein pakje uit waar een vraagteken opstond. Wat zat erin? Ik had een Engelstalige film van Pippi Langkous, geweldig voor Mille en Hugo, en Bert een tekenfilm die onze kleinkinderen zeker ook zouden kunnen waarderen. Groot applaus kregen we! Ik bedankte iedereen nogmaals en om 10 uur reden we weg. Dat wil zeggen, niet nadat we ongeveer dertig muffins hadden meegekregen en een bord vol koud roerei, we mochten eens verhongeren...





Op de voorgrond de cadeautjes voor het spel






José en Carmen bakken eieren


De muffins die we meekregen voor onderweg...


Cedar Breaks, onze volgende stop, lag op iets meer dan twee uur rijden. We waren even vergeten dat dat in Utah ligt, en dat betekende dat we een uur verloren: het was daar een uur later. Kortom, na een korte koffiestop (een beker gehaald bij een benzinestation en in de auto opgedronken) reden we tegen half twee de campground op. Hij lag werkelijk op een schitterende plek, met overal waanzinnig mooie uitzichten, maar ja, vol….Het was het laatste weekend dat mensen er massaal op uittrokken. Ook nog een lang weekend (Labor Day). Ik had geprobeerd te reserveren vanuit Nederland, maar dat was niet gelukt. En de paar ‘first come first serve’-plekken waren vanmorgen vroeg al gevuld. Wat nu? De camp host gaf ons een kaartje met nabijgelegen campgrounds maar dacht dat we niet veel kans maakten. Wat een goed alternatief was: wild kamperen. Dat mocht overal buiten het park. En we waren van harte welkom om dan van de faciliteiten van de camping gebruik te maken. Tja. We reden eerst naar Duck Creek, daar waren 95 plaatsen. Maar inderdaad allemaal bezet. De andere opties, langs het Navajo Lake, idem dito. Toen toch maar terug richting Cedar Breaks, waar we eerst langs de grote weg een bosweg inreden (er stond een bord dat je niet langer dan 15 dagen mocht kamperen). We vonden een plek, maar het was wel redelijk ver van het park. Dus die kant maar weer opgereden. Vlak voor de ingang, aan de rechterkant, stond ook zo’n bord. En daar vonden we, een eindje verderop, een prachtplek. We zetten de tent op en stonden helemaal alleen. Er stond alleen een verlaten RV een eind verderop. Grandioos! Zo zie je maar, de schaapjes komen altijd wel weer terecht.






Vrijdag 30 augustus – dag 6: Las Vegas – Cathedral Gorge


Amerikanen lopen niet. Dat is de titel van een boek dat ik mee heb om mijn e-reader. En het klopt, ze waggelen of strompelen of schuifelen. Het viel dus helemaal niet op dat ik me enigszins hinkend tussen de goktafels en -machines door wurmde op weg naar het Garden Buffet voor het ontbijt. Deze keer gelukkig wél op tijd. Voor de laatste keer gooiden we ons bord vol met pancakes, scrambled eggs, bacon, cinnamon rolls en vers fruit. Dat vol viel overigens wel mee hoor, we namen overal steeds een klein beetje van. Behalve van het fruit (ik dan, ik kan gewoon niet zonder). Aldus gevoed en gelaafd haalden we onze spullen van de kamer en checkten uit. Bij de balie vroeg Bert aan de wat streng kijkende dame hoe dat moest met de parkeergarage, we hadden namelijk steeds uit kunnen rijden met onze kamersleutelkaart (scrabblewoord! Maar ja, wie speelt dat nog?) ‘Let’s do one thing at the time, ok?’ kreeg hij als antwoord. Zij had vast níet van die lekkere koffie gehad. We kregen natuurlijk gewoon een extra uitrijkaart, en tien minuten later reden we weg. Eerst weer naar een Walmart, om de laatste boodschappen te halen (fruit, yoghurt, verse groenten en niet te vergeten wijn), en daarna naar Cathedral Gorge, een klein State Park in Nevada. Om precies drie uur reden we er binnen.


De laatste boodschappen worden ingeladen
Bij het kleine Visitor Centre kregen we wat informatie en daarmee gewapend zochten we de campground op. We waren een beetje benauwd voor een eventueel gebrek aan schaduw, het was weliswaar tien graden kouder dan in Las Vegas maar toch nog altijd 35. Dat bleek misplaatste angst: bijna alle plaatsen waren voorzien van grote afdakjes waaronder een picknicktafel stond, en er stonden er heel veel bomen die voor goede natuurlijke schaduw zorgden. Alleen jammer dat die plaatsen allemaal bezet waren. We hadden bij het inrijden een verwijzing gezien naar de overflow campground, en daar was een prachtplek vrij. Een invalidenplek, naast  het sanitair blok. Dat kon niet mooier, mijn gekwetste enkel maakte zelfs voorzichtig een vreugdesprongetje. In feite waren het twéé plekken, de ene was al bezet door een wat wonderlijk gezelschap in een grote RV. Voor de zekerheid vroeg ik toch maar aan een van hen of we onze tent hier wel op mochten zetten, het was tenslotte een invalidenplek.  De man die ik aansprak, de enige in het gezelschap die níet even breed als lang was, zag het probleem niet. Ja hoor, zet maar neer! Het beleid van de campgrounds is dat je zo’n plek inderdaad mag gebruiken, tenzij iemand hem vanwege een handicap echt nodig heeft. In ons geval zou er zó een camper (RV)bijgezet kunnen worden omdat wij dat deel van de plek niet gebruikten. Dus dat probleem was getackeld.  Onder de bomen, op een ruime tentplek, hadden we in een ommezien ons polyester verblijf opgezet. Ik had niet erg veel last van mijn enkel en kon gewoon helpen de rotspennen met flinke kracht in de bodem te slaan. Bert zocht de meegebrachte keukenspullen bij elkaar en ruimde die samen met alle boodschappen op in de dozen die om de slaapzakken hadden gezeten tewijl ik onze slaapplekken in orde maakte. De eerste slaapzak die ik uitpakte was van mij. Nou, die had de lelijkste kleur die ik ooit bij een slaapzak gezien had: heel licht, haast lichtgevend mintgroen. Oililly op z’n ergst. En dan leek de buitenkant ook nog van nylon, vreselijk. Maar de binnenkant voelde lekker zacht aan en er zat een grote capuchon aan vast, we moesten het er maar op wagen. Veel keus hadden we natuurlijk ook niet. Het exemplaar van Bert was groot,  heel groot zelfs. In een veel bescheidener donker mosgroen. We konden ze in elk geval makkelijk uit elkaar houden…





Om half vijf was alles klaar en werd het hoogste tijd op kathedralenjacht te gaan. Daarvoor waren we hier tenslotte. Je kon er vanuit de camping zó naar toe lopen, ik schat in dat het iets van 200 meter was, maar dat durfde ik toch nog niet aan. Tja, en dan denk je dat je alles hier wel zo’n beetje gezien hebt, en dan kóm je toch iets moois tegen! Onwaarschijnlijk. De gesteenten leken wel van bruine klei, en dat klopte eigenlijk ook wel: ze waren gevormd door modder, door de eeuwen heen. Op sommige plekken kon je er tussendoor lopen en daar zag het er dan uit alsof iemand met een groot mes eens lekker langs die klei was gegaan om er een stuk af te snijden. Mijn enkel deed erg goed mee en we konden dan ook ruimschoots genieten van dit zoveelste unieke natuurverschijnsel in het zuidwesten. Het licht was optimaal, de zon stond al behoorlijk laag wat prachtige schaduwen opleverde.









Van bovenaf gezien
Helemaal opgetogen kwamen we terug bij de tent waar we het gasstel installeerden om een potje te koken. We stonden op het punt om een glaasje wijn in te schenken toen de buurman, waarmee ik ’s middags gesproken had, naar ons toekwam. Of we misschien zin hadden met hen samen te eten? Ze hadden een familieweekend en waren bezig de picknicktafels in het groepsgedeelte te voorzien van allemaal lekkers. Nou, dat leek ons wel wat!

We werden voorgesteld aan de hele familie - Hi folks, this are Bert and Saskia from Holland - , een stuk of 10 mensen, een paar kinderen en drie honden. Er was chili zonder bonen, lasagne, zelfgemaakte empanadas, Spaanse omelet oftewel tortilla con papatas en brood. Het was verrukkelijk! Later op de avond kwamen er marshmallows op tafel die we boven een vuur roosterden. Daarna werden ze, in gesmolten toestand, tussen twee koekjes met chocola geklemd. Een caloriebom van het zuiverste water maar lékker! En het leukste was natuurlijk dat we met ze aan de praat raakten. Je had Lilly, die met haar Mexicaanse man (een boom van een kerel) voor een groot deel van het eten had gezorgd. Dan was er Marc met zijn vrouw, Shelley. Verder nog Rosa, uit Peru en getrouwd met een broer van Shelley. Carmen, uit Bolivia, getrouwd met een ándere broer van Shelley. De dochter van Carmen, die graag opera zong. De zoon van Shelley met zijn zoontje. De dochter van Shelley met haar zoon. Ik vergeet vast nog iemand. Het waren allemaal schatten van mensen. Carmen sprong haast in de lucht toen ze hoorde dat ik Spaans sprak, zo leuk vond ze dat. Het werd een hele bijzondere avond. We bleven nog lang napraten met Carmen, Shelley, Marc en Rosa, waardoor we veel van hen te weten kwamen. Lilly had een jaar in Spanje gewerkt voor de missie. Carmen was psycholoog en gaf les aan de universiteit van Cedar City (onderdeel van de South Utah University). Wat haar man deed weet ik niet, daar kwamen we niet aan toe. Zij hadden 5 dochters en 7 kleindochters. Shelley was al met pensioen, haar 10 jaar jongere echtgenoot  – nee, negeneneenhalf, corrigeerde Marc – was nog aan het werk als analist bij de goudmijnen. Zij hadden vier kinderen, waarvan er ééntje bij hen thuis woonde met de kleinzoon. Rosa zat bij de politie en werkte heel erg hard, nam nooit vakantie zodat zij haar vrije dagen dan in één keer kon opnemen; ze zou in september 40 dagen naar Italië, Spanje en Portugal gaan. We wisselden foto’s uit van kleinkinderen en hadden een hoop plezier. Aan het eind van de avond werd ons gezegd toch vooral aan het ontbijt te komen de volgende dag. Waar we graag ja op zeiden.

Marshmallows roosteren, verder hebben we geen foto's genomen
Voor het eerst in de tent deze vakantie, het was er toch van gekomen! We doken in onze slaapzakken, constateerden dat het heerlijk lag en sliepen binnen twee minuten in.    

maandag 2 september 2019

Donderdag 29 augustus – dag 5: Las Vegas


De mens is een zoogdier, toch? Dat is gevoeglijk bekend. Het was me daarom een raadsel hoe mijn lijf erin geslaagd was geheel zelfstandig eieren te produceren. Toch was het zo. En geen haan die ernaar kraaide. Zowel aan de binnen-  als aan de buitenkant van mijn enkel zat een mooi exemplaar. Niet geheel onverwacht natuurlijk.

Allerlei scenario’s waren in de nacht de revue gepasseerd, het bleek dat we er allebei over hadden liggen nadenken. Konden we nog door? Zou een korte pauze genoeg zijn? Of was het toch ernstiger dan we dachten en moesten we hulptroepen inschakelen? Ik was er in de loop van de nacht een paar keer uit geweest, en elke keer kon ik me iets beter bewegen. Dat gaf de burger moed. We boekten dus in elk geval één nacht hotel extra, voor $28 plus taks. Voor het ontbijtbuffet waren we door al het gedoe helaas te laat, het enige wat we konden krijgen was iets van een sandwich in de Triple 7 bar. Het belangrijkste onderdeel van het ontbijt, koffie, hadden ze ook. Dus zaten we om half elf aan een gedeeld broodje pulled pork, waar de serveerster, ondanks ons verzoek dat weg te laten, op eigen initiatief frites bij had geleverd. Ze waren zó goed, zei ze, en het zat toch bij de prijs in. Nou ja, die gingen dus retour. Ik kreeg zelfs dat broodje al haast niet weg. Maar de meedenkende serveerster had al snel in de gaten dat ze ons met koffie heel blij maakte, dus zette ze na de eerste keer refill maar een volle thermos voor ons neer. Die ging leeg tot de laatste druppel!

Terug op de kamer installeerde ik me op een van de comfortabele fauteuils, die ik tot vlakbij het bed aanschoof zodat ik mijn been daarop kon leggen. Met de laptop op schoot om het blog bij te werken en de televisie aan om US Open tennis te kijken was het zo prima uit te houden. Bert ruimde intussen de auto vast een beetje op zodat we morgen de grote tassen daar ook in kwijt konden. Want zoveel was nu wel duidelijk: we gingen door!



Aan het eind van de middag konden we de barman vertellen dat het veel beter ging dankzij het ijs wat hij geleverd had, en vol goede hoop begonnen we aan een nieuwe nacht. Het leek erop dat de schorpioen zich had teruggetrokken.

vrijdag 30 augustus 2019

Woensdag 28 augustus – dag 4: Las Vegas


Schreef ik twee dagen geleden niet iets over venijn en staart? Hoe waar…

Vandaag haalden we, na een lekkere trage start, de rest van de boodschappen bij de Walmart. Alle hardware (brander, rotspennen, grondzeil en dat soort dingen) lagen al achter in de auto, nu nog de software oftewel de etensvoorraad voor een week of vier. Met de lijst die we al jaren gebruiken hadden we het snel bij elkaar, alleen de kunststof borden die we een paar dagen eerder ook al niet hadden kunnen vinden bleven onvindbaar. Dat eet toch een beetje lastig. De uiterst vriendelijke jongeman die we ernaar vroegen nam ons mee de hele winkel door om uit te komen bij een plastic kinderserviesje, ook niet helemaal de bedoeling. Hij verwees ons naar een Walmart Supercenter, een stukje verderop. Dit was maar een kleine supermarkt vond hij, hoewel onze voormalige V&D er drie keer in had gepast. Maar hij had gelijk: bij de grote broer vonden we direct wat we zochten, namelijk 4 borden en 4 kommen voor samen $1,60. De winkelwagen puilde uit van al het eten, maar de praktijk had ons geleerd dat het vrijwel allemaal op is aan het eind van de vakantie.

Vlakbij de Walmart zagen we een AT&T telefoonwinkel. Kwam dat even goed uit! De gratis wifi, zo genereus door Hertz meegegeven, kregen we niet goed aan de praat en we hadden al besloten toch weer een Amerikaanse simkaart te kopen. Dat was niet alleen handig voor internet maar ook voor bellen; verschillende campgrounds kun je alleen telefonisch reserveren. Scheelt weer zoeken naar een telefooncel die je bovendien nooit kunt vinden als je hem nodig hebt. Toen we in 2010 voor het eerst in de States gingen kamperen speelde dat nog niet, je kon veel makkelijker zonder reserveren terecht.

In het hotel nam ik de tijd om aan het blog te schrijven. De jetlag leek zich langzamerhand uit de voeten gemaakt te hebben en dat werd tijd ook. Eind van de middag vervoegden we ons weer aan de bar, waar Bert z’n biertje kreeg – het hotel heeft een eigen brouwerij – en ik een fantastische Virgin Bloody Mary. De barman kwam uitgebreid vertellen hoe ze dat maakten en welke kruiden we ervoor konden gebruiken. Daar bleef het niet bij, hij kwam steeds bij ons terug met een ander leuk verhaal. Duidelijk iemand die hield van zijn vak!

’s Avonds besloten we om een uur of negen toch even naar de Fremont Experience te gaan, dat is hier om de hoek. Het is een onvoorstelbaar mooie lichtshow, duizenden ledlichtjes die steeds wisselende voorstellingen weergeven. We zagen in het verleden al Queen en Bon Jovi, nu was het meer dancemuziek. Het is echt een spektakel. Alle verlichting in de (overdekte) straat gaat uit, mensen beginnen te klappen en te juichen, en dan barst het los. Als het afgelopen is hervatten de straatartiesten hun acts en is het gewoon een gezellige boel. Na drie kwartier hadden we het wel weer gezien en gingen we op huis aan. Onderweg passeerden we enkele daklozen die zich op het nog steeds gloeiendhete asfalt ter ruste hadden gelegd. Twee vrolijk geklede kinderen, één van een jaar of acht en één van een jaar of tien, huppelend aan de hand van hun welgestelde ouders, keken er naar met de blik die kinderen van die leeftijd nog kunnen hebben: vol ongeloof. Het is wrang om die twee uitersten zo naast elkaar te zien en je te realiseren dat je er zo weinig aan kunt doen.

We moesten nog even een kruising over voor we bij het hotel waren. Ik keek eerst naar links, zoals we onze kleinkinderen ook leren, en lag bijna op het asfalt. Een stoeprand over het hoofd gezien. Mijn enkel klapte eerst naar buiten en toen naar binnen, Bert kon me nog net vastgrijpen. Ik voelde meteen dat het mis was, maar ook dat ik niets gebroken had. Een klassieke verstuikte enkel. En niet voor de eerste keer in de vakantie:  het gebeurde ooit in Noorwegen hoog in de bergen, met volle bepakking op de rug. Bert is toen met twee rugzakken naar beneden gelopen en ik schuifelde er achteraan. Na drie dagen rust, we mochten de tent bij een hut opzetten, konden we weer verder. Een keer in Spanje, dat liep met een sisser af en de laatste keer was in Antwerpen toen ik in een tramrails bleef haken terwijl er een auto aankwam. Dat was wel een stuk ernstiger. Maar goed, nu moest ik toch ook strompelend aan Berts arm hangend naar het hotel. Daar vroegen we of er misschien een drukverband was ergens om de ergste zwelling tegen te gaan. En dat hadden we niet bij ons. We werden verwezen naar de andere kant van het casino, naar de beveiliging. Die konden we niet vinden dus vroeg Bert een van de serveersters om hulp. Zij liep weg om even later terug te komen met de gevraagde rol verband, in fijne vleeskleur. Ook dat nog. Toen liep ze naar de bar, haalde een nieuwe stapel wegwerpbekers ergens vandaan en ontdeed die van het plastic. De leuke barman, die nog steeds dienst had, keek naar mij en riep uit: is that you???  Hij gooide dat plastic vol met ijs en dat kreeg ik mee, vergezeld van een meewarige blik. Goed gekoeld en met het been hoog probeerden we de slaap te vatten. Met in het achterhoofd, of eigenlijk meer in het voorhoofd, of we de reis wel zouden kunnen voortzetten.

Ik zei het al, ik héb het niet op schorpioenen.  

Dinsdag 27 augustus – dag 3: Las Vegas


Een geel briefje was bijgevoegd bij onze sleutelkaarten. De tekst: in verband met aangescherpte veiligheidsregels behouden wij ons het recht voor uw kamer te controleren als u meer dan één dag het ‘niet storen’-kaartje aan uw deur heeft gehangen. Tja. Ik moet zeggen, we voelen ons hier reuze op ons gemak. Gelukkig maar.

Vandaag hebben we ons met ware doodsverachting in de hitte van Las Vegas gestort: naar de Strip! Dankzij een forumlid wisten we dat je aan de achterkant van The Venetian gratis kon parkeren, en dat bleek heel makkelijk te vinden. Ideaal toch, zo’n Mondriaan-stratenplan, je kunt je nauwelijks vergissen. Nadat we de auto hadden weggezet op plek 1D, niet vergeten, liepen we via het Grand Canal met – natuurlijk – een echte operazanger in een gondel, naar de straatkant. Dat klinkt simpeler dan het is, we waren zeker een half uur onderweg. Maar ja, we moesten ons voor de zoveelste keer verbazen over de complete gekte van het complex. Wie verzint het toch, 12 minuten in een bootje varen en daar dan een bedrag van $36 pp voor neertellen!




Na dit Disney-achtige spektakel begaven we ons, zoals gezegd, in de hitte van nog veel méér gekte. Het was inmiddels 45⁰C en dat voelt alsof er een gloeiendhete föhn boven je hoofd hangt. Wat het nog een soort van dragelijk maakt is het feit dat het vochtigheidsgehalte erg laag is, in tegenstelling tot wat we in Europa kennen. Maar evengoed moesten we een liter Gatorade sportdrank wegwerken om op de been te blijven. En dat alles om een bestelling van de dochters op te halen in de Miracle Mall, nog een flink stuk lopen, bij Bath en Bodyworks…ach ja, voor je kinderen heb je alles over nietwaar?? Dit is natuurlijk een drogreden, we willen altijd toch weer een kijkje nemen in dat centrum van verderf. We dronken nog iets bij de Starbucks in het Hilton, daar zit je heerlijk in de airco achter glas aan de rand van het zwembad. En natuurlijk wilden we de French Connection met een bezoekje vereren, die hebben altijd een mooie uitverkoop (ik vermijd het woord SALE) in deze tijd van het jaar. Helaas zat er voor mij niets bij, maar Bert kwam met twee leuk geprijsde shirts weer naar buiten.

Net niet gesmolten kwamen we na een uurtje of wat weer bij The Venetian aan. Het duurde even voor we de ingang gevonden hadden maar met wat vragen lukte dat uiteindelijk toch. De lift uit, op naar vak 1D. De auto stond direct om de hoek. Nee dus. O wacht, daar, verderop. Ook niet. In de snikhete garage liepen we rondjes en rondjes, alle vakken…geen auto. Bert probeerde met de sleutel in de hand of er iets aan een auto oplichtte…niets. Dat vak 1D was ook maar heel klein en overzichtelijk eigenlijk, dus we begrepen er niets van. Zou het kunnen dat het 2D moest zijn? Gezien onze regelmatig optredende hersenverweking was dat zeker geen onmogelijke gedachte, en in deze hitte al helemáál niet. Ok, naar 2D. Nou, dat zagen we meteen wel, hier was het zeker niet. Toch maar een rondje gelopen voor de zekerheid maar tevergeefs. Dan maar weer terug naar de eerste etage. Opeens zagen we het: vak 1D liep een heel stuk verderop óók nog door! Ja, toen viel het kwartje: we waren op een andere plek de lift ingestapt…
Met blij gemoed stapten we in onze bolide, waar we werkelijk heel tevreden mee zijn. Hij rijdt als een zonnetje, heel soepel, superkleine draaicirkel en ontzettend veel opbergmogelijkheden. Daarbij geteld een stuk of tien usb- en 12V uitgangen en je hoort ons nergens meer over klagen. 

In het hotel troffen we een deur open die tot dan toe altijd gesloten was geweest. Nieuwsgierig als we zijn namen we een kijkje, en tot onze verassing kwamen we in een grote, prachtig in Jugendstil ingerichte zaal. Dit was de Pulman Bar. Het meest bijzondere was wel dat het gelijknamige treinstel, dat buiten staat opgesteld, aan de binnenkant een wand van de zaal vormde! De trein buiten hadden we natuurlijk vaak gezien, maar dit hadden we niet verwacht. Wat een verrassing!





We dronken ons gebruikelijke glaasje aan de bar in het casino, we aten onze eerste hamburger en lieten de Fremont Experience wederom voor wat het was. Morpheus was ons vele malen liever.