maandag 26 september 2022

Dag 32 – zaterdag 24 sept: June Lake

Het was half acht ’s morgens, en mijn ochtendwandeling zat er al op. Ik had nog geprobeerd weer in slaap te vallen, maar toen dat niet lukte trok ik alle warme kleding aan die ik had, zette mijn muts op en liep naar het meer. Het was een minuut of twintig lopen naar beneden, en tot mijn verbazing was ik niet de enige maar waren er nog enkele diehards die hetzelfde idee hadden gekregen. Ik maakte wat foto’s, de zon piepte net over de bergen. De eerste kajakker was ook al onderweg voor een sportieve start van de dag.

Toen ik terugkwam bij de tent dansten er tientallen piepkleine en watervlugge chipmunks om me heen, blij als ze waren dat ik weer terug was natuurlijk. Het is zo’n komisch gezicht, ze zijn superbewegelijk en klimmen bijna in je benen. Dat moet maar niet, want het zijn en blijven knaagdieren die nogal wat ziektes kunnen overbrengen. Het lukte me niet ze voor de lens te krijgen, ze zijn gewoon te snel. Ik zette alles klaar voor de koffie, maakte Bert wakker en de dag kon beginnen.

Omdat we een paar pittige reisdagen achter de rug hadden besloten we het vandaag rustig aan te doen. Ik schreef wat, Bert deed de afwas die we voor het gemak maar in de berenbox hadden laten staan en we namen nog een bak koffie. ’s Middags reden we naar de Panum Crater, hier een klein half uurtje vandaan. Daar liepen we een stuk van de Rim trail, erg mooi. Eigenlijk wilden we daarna nog naar Mono Lake, maar op een of andere manier misten we de afslag. Ach, dan morgen maar. In plaats daarvan reden we nu de June Lake Loop, die voert je langs de verschillende meren zoals Silver Lake, Gulch Lake en, hoe verrassend, June Lake. Onderweg lunchten we met crackers en smakeloze plakjes kaas, die om dat te verbloemen opgeleukt waren met scherpe jalapeño pepers. Daardoor proefde je verder niets meer. Tja, ook een manier om je product te verkopen. We raakten aardig door onze voorraden heen en dat was precies de bedoeling. In de koelbox zit, naast nog een paar plakjes van de kaas, alleen nog wijn, een beetje boter - we kopen altijd een heel pakje en hebben dan aan het eind nog steeds de helft over, zo ook nu –, yoghurt en Gatorade (sportdrank met elektrolyten).

Tegen vijven waren we terug op de campground. Het is vermakelijk te zien hoe grote families hun tenten op één plek proppen (je betaalt per plek) en vervolgens hun hele hebben en houden op en onder de picknicktafel zetten. Er wordt uitgebreid gekookt, gebarbecued, heel veel gepraat en gelachen. Een stuk verderop was ook zo’n familie, en die hadden er voor de gezelligheid muziek bij aan. Maar, en dat is hier zo opvallend, niet te hard. Totaal niet storend. ’s Avonds om negen uur is het overal doodstil. Dan is het pikkedonker want aan verlichting doen ze niet op deze terreinen, dus de nacht valt in volle hevigheid over je heen en dat werkt natuurlijk ook rustgevend.

Om de kou te trotseren (hoewel het minder erg was dan gisteren) maakten we deze keer wel een vuurtje, dat brandde werkelijk als een tierelier. We zaten erbij tot ook het laatste grote blok uit elkaar gevallen was. Heerlijk. Een flinke plens water maakte een einde aan de sessie, je moet het vuur hier altijd met water uitmaken. Nu was het de kunst de warmte vast te houden in de slaapzak. En mocht ik weer vroeg wakker worden, een ochtendwandeling is hier een feestje!

Panum Crater.....

....de Rim trail

Doorkijkje vanaf de rim trail naar Mono Lake

Sneeuw op de bergen van Yosemite

Alweer een prachtplek, bij June Lake


Chipmunk

Kajakker op weg naar het meer

June Lake in de vroege ochtend

zondag 25 september 2022

Dag 31 – vrijdag 23 september: Amorgosa Valley – June Lake

Alsof we in de cakewalk op de kermis zaten, en dat urenlang. Zo was het gisteren. Maar ik loop op de zaken vooruit.

Om half zeven stond ik al buiten de tent om dat wonderlijke woestijnlandschap in me op te nemen en nog wat foto’s te maken. Ik zou er niet zo snel langer dan een nachtje boeken, er is nauwelijks iets anders te doen in de niet eens zo directe omgeving dan Death Valley bezoeken, maar voor een enkele overnachting was het werkelijk perfect. Zo anders dan alle andere kampeerplekken die we ooit mee hebben gemaakt.

Om half elf reden we richting van dat voornoemde park. Het was verder weg dan we dachten, we waren eigenlijk een beetje vergeten hoe groot de afstanden daar zijn. Maar eenmaal op de bestemming aangekomen had het nog niets van z’n betoverende werking verloren. Wat een kleuren, wat een verscheidenheid aan vormen! En voor de verandering ook eens niet zo bloedheet, wel zo lekker. Bij de officiële ingang, waar je voor je toegang kunt betalen als je nog geen All America Pass hebt, hing een kaartje met daarop in geel gemarkeerd de wegen die open waren. Vanwege heftige overstromingen was een groot deel van het park nog steeds onbegaanbaar. Helaas bleek niet alleen de 190 gestremd voor doorrijden naar Lone Pine, maar ook de 374 naar Beatty was nog gesloten. Dat betekende voor ons straks 100 km omrijden. We hadden de stille hoop gehad dat er inmiddels iets meer open was maar nee dus. Nu ja, niets aan te doen. Toch eerst maar een paar hoogtepunten bezoeken, wat dat aangaat viel er nog best veel te zien. Als eerste stopten we bij Zabriski Point. Dat is wel een van onze favorieten en ook nu weer werden we geraakt door de verscheidenheid aan kleuren. De parkeerplaats was op een enkele auto na leeg, mooi. Maar we waren nog niet boven of er kwam een bus aangereden die een lading Duitsers uitspuugde. Gevolgd door een andere bus, en nog een. Hijgend en puffend werkten deze mensen zich naar boven, duidelijk niet gewend aan enige inspanning. We manoeuvreerden er een beetje doorheen, en nadat zij allemaal hun selfies hadden gemaakt konden we een flink aantal mooie plaatjes schieten. Beneden was de parkeerplaats opeens helemaal vol.

Onze volgende gang was naar Artists Palette, daar rijd je in een loop van zo’n 12 kilometer doorheen. Natuurlijk zijn er de nodige itzichtpunten te vinden. Schitterend! Kopergroen, geel, rood en alles daartussenin schreeuwden om het hardst om onze aandacht. We hadden nog wel veel langer willen blijven maar het was inmiddels al tegen half twee en we hadden nog een flinke rit voor de boeg. Toch maar teruggereden dus, hoewel we nog een aantal keren uitstapten voor nóg maar een foto. Opeens liep hij daar. Eenzaam en vermagerd, al aardig op leeftijd zo te zien. We kregen medelijden met hem en hadden hem graag een lift gegeven, maar of hij daar nu zo blij van zou zijn geworden… Wat moet een coyote tenslotte in de achterbak van een auto, bij die enge diersoort-op-twee-benen??

Met nog 450 km voor de boeg was het wel aanpoten geblazen. De navigatie gaf aan dat we om 17.15 op de Oh Ridge campground bij June Lake, dat ligt tegen Yosemite aan, zouden arriveren. Acceptabel. Helaas was hierbij geen rekening gehouden met het fenomeen ‘Road work ahead, expect delays from 30 minutes’. Het eerste deel van de weg was ronduit saai te noemen. Echt niks aan, en ook druk met werkverkeer. Toen we eenmaal van de 95 afdraaiden, de 266 op, werd het beter. Ik had het stuur overgenomen want de auto gaf een piepje dat de bestuurder pauze moest nemen. Die tijd hadden we niet, dus we gooiden er snel wat Gatorade uit de koelbox in en dóór. Gelukkig hadden we wel heel goed ontbeten.

Er is een weg, die heet de Loneliest Road, Interstate 50, 660 km lang en loopt van west naar oost, ruwweg gezegd. Nou, we kunnen daar nu wel een paar aan toevoegen. Ik noemde al de 266, maar ook de 120 kan er wat van. Urenlang hebben we gereden zonder ook maar één auto tegen te komen. Op de 266 nog een paar, maar op de 120 echt geen één. Die laatste manifesteerde zich als de ultieme test voor de cakewalk op de kermis. We gingen ik-weet-niet-hoeveel keer naar boven en naar beneden, en als je naar boven reed wist je nooit wat erachter kwam dus lekker de vaart erin houden was lastig. Intussen begon het al wat te schemeren, en we schoten voor ons gevoel geen meter op. Tot we, om 18.20, eindelijk op de hoofdweg kwamen, de 395. Toen was het nog 15 kilometer en toen waren we er eindelijk. Nog net licht genoeg om de tent op te zetten, voor het koken van ons potje hadden we echt de lamp nodig. Een lange dag was het geweest, en we hadden de pijp wel uit. Hoewel het koud was lieten we zelfs het vuurtje voor wat het was. Morgen maar weer. We blijven hier in elk geval drie nachten, willens en wetens de kou trotserend. Dromend van de cakewalk vannacht.







Onder zeeniveau!








En toen liep hij ons wéér voor de voeten/wielen


zaterdag 24 september 2022

Dag 30 – donderdag 22 september: Williams – Amorgosa Valley

Nog een paar dagen kamperen, dan zit het erop. Terug naar huis, naar Minnesota. Tenminste, als we afgaan op wat de mensen tegen ons zeggen: dat ons accent uit die contreien lijkt te komen. Dan is ons Engels in elk geval niet zo miserabel als dat van onze premier, die het heeft over ‘de saus of de kantry’. Volgens de jongens van ‘Even tot hier’ (Jeroen Woe en Niels van der Laan).

We moesten een eind rijden vandaag. Eerst naar Las Vegas, waar we nog even een deken die we niet gebruikt hebben terug wilden brengen, en dan naar Amargosa Valley dat tegen Death Valley aanligt. Het was ronduit een saai stuk tot de stad van verderf. En eenmaal daar aangekomen was het smoor- en smoordruk, vijf rijen auto’s naast elkaar. Niet echt leuk rijden. Sowieso moesten we erg wennen aan al die drukte na al die weken in de natuur. Maar goed, we kwamen erdoorheen en daarmee zat twee derde van de dagtrip erop. Het laatste stuk, nog zo’n twee uur rijden, moest ons naar een bijzondere plek brengen: Tarantula Ranch. Enig speurwerk op internet had een vrij nieuwe campground opgeleverd, op redelijke behapbare afstand van de oostelijke ingang van Death Valley. Dat leek ons wel handig, zo konden we het park bezoeken en daarna doorrijden naar June Lake waar de volgende plek is. Vrij laat kwamen we aan, zo tegen half zes. Eerst konden we het niet vinden, het was echt midden in de woestijn waar niets of niemand te zien was. Alles om ons heen was dor en droog. Maar toen zagen we het toch, en het wás toch iets speciaals! Het was een kleine wijngaard, tijdens de covid-jaren aangekocht door een gezin uit Oregon dat weg wilde uit de regen en de donkerte. Enige ervaring met deze tak van sport hadden ze niet zo te zien, de wijnranken zagen er niet echt gezond uit. Maar we konden het niet aan ze vragen want we hebben niemand gezien. Onze tent zetten we op bij de Chardonnay, dat vonden we wel toepasselijk. Het was er dood- en doodstil en ondanks het late tijdstip ook erg warm. Om enige schaduw te creëren bij het opzetten van de tent zetten we de auto erachter, dat werkte goed. Er waren vijf tentplekken, allemaal leeg, en drie kleine trailers die ze verhuren als ‘glamping’. Eigenlijk was het alleen een bed, je kon er niet in staan. Eén ervan was bezet door een jong stel. Het was vrij primitief allemaal, maar wel heel schoon en duurzaam. Drie wc’s, allemaal compost-toiletten waar je een mengsel van zaagsel en zand in moest gooien. Een buitendouche op zonne-energie en een ingerichte buitenkeuken waar iedereen gebruik van mocht maken. Aan de rand van het geheel stonden twee luie stoelen opgesteld naast een vuurplaats zodat je ’s avonds gezellig naar de sterren kon kijken. Het kampgeld konden we in een envelopje kwijt dat we in een brievenbus moesten gooien. Het was een waanzinnig mooie plek, zo midden in de woestijn! We bleven na het eten nog een tijd zitten. De hitte was verdwenen en had plaatsgemaakt voor een heerlijke zomeravondtemperatuur. Dat koesterden we nog maar even, morgenavond in de bergen zou dat wel anders zijn.













vrijdag 23 september 2022

Dag 29 – woensdag 21 september: Holbrook – Williams

Plan voor vandaag: in het park ‘Petrified Forest’ de Blue Mesa bezoeken en de bijbehorende trail lopen. Daarna naar Williams rijden, waar we een simpele cabin gereserveerd hadden. Hoe verstandig was dat, bleek achteraf.

Bij Chuck’s Wagon ontbeten we, na een heerlijke douche in de luxe badkamer, met een simpele uitvoering van French Toast en een bak koffie. Al onze kookspullen hadden in de auto kunnen blijven, ook wel eens prettig. Nadat ik twee nieuwe blogberichten had gepost reden we naar het Petrified Forest, niet zozeer om de versteende boomstammen in het Crystal Forest te zien (hadden we al een paar keer gedaan) maar vooral om de spectaculair mooie trail in de Blue Mesa nog een keer te lopen. Dit pad, dat je door alle kleuren van het blauwe spectrum op de ronde rotsvormen voert, is een absolute favoriet van ons. Enthousiast meldden we ons dus bij de ingang van het park en namen de informatiebrochure aan van de man in het hokje. Er zat een gele post-it op. Alles is open, zei de meneer, behalve Blue Mesa. Shit. Komen we dat hele eind hiernaartoe rijden voor niks. Nou ja, voor niks, er waren nog wel wat andere dingen te zien. Er zijn aardig wat uitzichtpunten en overal stapten we uit om al het moois in ons op te nemen en een paar plaatjes te schieten. Het was behoorlijk bewolkt, het had vannacht zelfs heel hard geregend, maar af en toe piepte de zon er even tussendoor.















Rond half één verlieten we het park en zetten we koers naar Williams. Om ons heen werd de lucht zwarter en zwarter, en toen we net een flink eind op weg waren zette iemand boven ons de kranen wijd open. In heftige regen voegden wij ons bij de talloze vrachtwagens die onderweg waren en evenals wijzelf regelmatig tot langzaam rijden gedwongen werden door de vele wegwerkzaamheden. Opeens stonden we stil. Niemand kwam meer een centimeter vooruit. Geen idee wat er nu weer aan de hand was. Toen we uiteindelijk langzaamaan onze weg konden vervolgen zagen dat: de weg werd overspoeld door al het regenwater dat niet weg kon. Naast ons, in de berm, had zich een snelstromende rivier gevormd die hier over de weg stroomde, een lager gelegen gedeelte in. Met het verschijnsel ‘flash flood’ zijn we vertrouwd, maar dit was van een andere orde. Iedereen reed er heel voorzichtig doorheen, en na een kwartiertje konden we weer verder. Het bleef wel met bakken uit de lucht komen. Het was dan ook ingespannen rijden, temeer daar het wegdek ronduit slecht was. We hoorden de ijsblokjes in de koelbox klotsen.

Ik schreef al, het kwam achteraf zo goed uit dat ik juist in Williams een cabin had besproken. Het was kletsnat overal, en hoewel het droog was toen we aankwamen was het de verwachting dat het ’s nachts opnieuw los zou barsten. Nadat we ons geïnstalleerd hadden reden we naar het plaatsje zelf, zo’n 7 mijl verderop. We verheugden ons al op een hernieuwde kennismaking met Rod’s Steak House, waar ze de allerverrukkelijkste steaks serveerden. Helaas. Het pand stond er nog net zo als anders, maar op de voordeur was een niet mis te verstane boodschap te lezen: For Sale. Tja. Wat nu? We liepen de hoofdstraat door maar zagen eigenlijk niets wat ons trok. Bijna waren we de pizzeria ingelopen, waar de pizza’s op piepschuim borden geserveerd werden, toen ik aan de overkant van de weg een wat chiquer ogend restaurant zag, Red Raven genaamd. Na een blik op de menukaart was de keus snel gemaakt, het zag er fantastisch uit. En dat wás het ook. Een werkelijk perfect gegrilde en gekruide ribeye, daarbij aardappelpuree met mierikswortel en geroosterde knoflook en gegrilde groene asperges. Een van de hoogtepunten in onze Amerikaanse culinaire ervaringen. Het waren ook nog eens behapbare porties, niet van die overdadig volgeladen borden. Dat maakte dat er ook nog plaats was voor een toetje: ik had een verrukkelijk key lime taartje, en Bert citroencake met blauwe bessen en mascarpone. Het enige wat voor mij ontbrak was een goed glas wijn, ze hadden ook een excellente wijnkaart, maar het zero tolerance beleid wat we hanteren als het gaat om alcohol en autorijden liet me geen andere keus dan een glas water. Wat ook helemaal goed was. Onze dag kon niet meer stuk, en dat ging hij ook niet.