dinsdag 3 september 2019

Vrijdag 30 augustus – dag 6: Las Vegas – Cathedral Gorge


Amerikanen lopen niet. Dat is de titel van een boek dat ik mee heb om mijn e-reader. En het klopt, ze waggelen of strompelen of schuifelen. Het viel dus helemaal niet op dat ik me enigszins hinkend tussen de goktafels en -machines door wurmde op weg naar het Garden Buffet voor het ontbijt. Deze keer gelukkig wél op tijd. Voor de laatste keer gooiden we ons bord vol met pancakes, scrambled eggs, bacon, cinnamon rolls en vers fruit. Dat vol viel overigens wel mee hoor, we namen overal steeds een klein beetje van. Behalve van het fruit (ik dan, ik kan gewoon niet zonder). Aldus gevoed en gelaafd haalden we onze spullen van de kamer en checkten uit. Bij de balie vroeg Bert aan de wat streng kijkende dame hoe dat moest met de parkeergarage, we hadden namelijk steeds uit kunnen rijden met onze kamersleutelkaart (scrabblewoord! Maar ja, wie speelt dat nog?) ‘Let’s do one thing at the time, ok?’ kreeg hij als antwoord. Zij had vast níet van die lekkere koffie gehad. We kregen natuurlijk gewoon een extra uitrijkaart, en tien minuten later reden we weg. Eerst weer naar een Walmart, om de laatste boodschappen te halen (fruit, yoghurt, verse groenten en niet te vergeten wijn), en daarna naar Cathedral Gorge, een klein State Park in Nevada. Om precies drie uur reden we er binnen.


De laatste boodschappen worden ingeladen
Bij het kleine Visitor Centre kregen we wat informatie en daarmee gewapend zochten we de campground op. We waren een beetje benauwd voor een eventueel gebrek aan schaduw, het was weliswaar tien graden kouder dan in Las Vegas maar toch nog altijd 35. Dat bleek misplaatste angst: bijna alle plaatsen waren voorzien van grote afdakjes waaronder een picknicktafel stond, en er stonden er heel veel bomen die voor goede natuurlijke schaduw zorgden. Alleen jammer dat die plaatsen allemaal bezet waren. We hadden bij het inrijden een verwijzing gezien naar de overflow campground, en daar was een prachtplek vrij. Een invalidenplek, naast  het sanitair blok. Dat kon niet mooier, mijn gekwetste enkel maakte zelfs voorzichtig een vreugdesprongetje. In feite waren het twéé plekken, de ene was al bezet door een wat wonderlijk gezelschap in een grote RV. Voor de zekerheid vroeg ik toch maar aan een van hen of we onze tent hier wel op mochten zetten, het was tenslotte een invalidenplek.  De man die ik aansprak, de enige in het gezelschap die níet even breed als lang was, zag het probleem niet. Ja hoor, zet maar neer! Het beleid van de campgrounds is dat je zo’n plek inderdaad mag gebruiken, tenzij iemand hem vanwege een handicap echt nodig heeft. In ons geval zou er zó een camper (RV)bijgezet kunnen worden omdat wij dat deel van de plek niet gebruikten. Dus dat probleem was getackeld.  Onder de bomen, op een ruime tentplek, hadden we in een ommezien ons polyester verblijf opgezet. Ik had niet erg veel last van mijn enkel en kon gewoon helpen de rotspennen met flinke kracht in de bodem te slaan. Bert zocht de meegebrachte keukenspullen bij elkaar en ruimde die samen met alle boodschappen op in de dozen die om de slaapzakken hadden gezeten tewijl ik onze slaapplekken in orde maakte. De eerste slaapzak die ik uitpakte was van mij. Nou, die had de lelijkste kleur die ik ooit bij een slaapzak gezien had: heel licht, haast lichtgevend mintgroen. Oililly op z’n ergst. En dan leek de buitenkant ook nog van nylon, vreselijk. Maar de binnenkant voelde lekker zacht aan en er zat een grote capuchon aan vast, we moesten het er maar op wagen. Veel keus hadden we natuurlijk ook niet. Het exemplaar van Bert was groot,  heel groot zelfs. In een veel bescheidener donker mosgroen. We konden ze in elk geval makkelijk uit elkaar houden…





Om half vijf was alles klaar en werd het hoogste tijd op kathedralenjacht te gaan. Daarvoor waren we hier tenslotte. Je kon er vanuit de camping zó naar toe lopen, ik schat in dat het iets van 200 meter was, maar dat durfde ik toch nog niet aan. Tja, en dan denk je dat je alles hier wel zo’n beetje gezien hebt, en dan kóm je toch iets moois tegen! Onwaarschijnlijk. De gesteenten leken wel van bruine klei, en dat klopte eigenlijk ook wel: ze waren gevormd door modder, door de eeuwen heen. Op sommige plekken kon je er tussendoor lopen en daar zag het er dan uit alsof iemand met een groot mes eens lekker langs die klei was gegaan om er een stuk af te snijden. Mijn enkel deed erg goed mee en we konden dan ook ruimschoots genieten van dit zoveelste unieke natuurverschijnsel in het zuidwesten. Het licht was optimaal, de zon stond al behoorlijk laag wat prachtige schaduwen opleverde.









Van bovenaf gezien
Helemaal opgetogen kwamen we terug bij de tent waar we het gasstel installeerden om een potje te koken. We stonden op het punt om een glaasje wijn in te schenken toen de buurman, waarmee ik ’s middags gesproken had, naar ons toekwam. Of we misschien zin hadden met hen samen te eten? Ze hadden een familieweekend en waren bezig de picknicktafels in het groepsgedeelte te voorzien van allemaal lekkers. Nou, dat leek ons wel wat!

We werden voorgesteld aan de hele familie - Hi folks, this are Bert and Saskia from Holland - , een stuk of 10 mensen, een paar kinderen en drie honden. Er was chili zonder bonen, lasagne, zelfgemaakte empanadas, Spaanse omelet oftewel tortilla con papatas en brood. Het was verrukkelijk! Later op de avond kwamen er marshmallows op tafel die we boven een vuur roosterden. Daarna werden ze, in gesmolten toestand, tussen twee koekjes met chocola geklemd. Een caloriebom van het zuiverste water maar lékker! En het leukste was natuurlijk dat we met ze aan de praat raakten. Je had Lilly, die met haar Mexicaanse man (een boom van een kerel) voor een groot deel van het eten had gezorgd. Dan was er Marc met zijn vrouw, Shelley. Verder nog Rosa, uit Peru en getrouwd met een broer van Shelley. Carmen, uit Bolivia, getrouwd met een ándere broer van Shelley. De dochter van Carmen, die graag opera zong. De zoon van Shelley met zijn zoontje. De dochter van Shelley met haar zoon. Ik vergeet vast nog iemand. Het waren allemaal schatten van mensen. Carmen sprong haast in de lucht toen ze hoorde dat ik Spaans sprak, zo leuk vond ze dat. Het werd een hele bijzondere avond. We bleven nog lang napraten met Carmen, Shelley, Marc en Rosa, waardoor we veel van hen te weten kwamen. Lilly had een jaar in Spanje gewerkt voor de missie. Carmen was psycholoog en gaf les aan de universiteit van Cedar City (onderdeel van de South Utah University). Wat haar man deed weet ik niet, daar kwamen we niet aan toe. Zij hadden 5 dochters en 7 kleindochters. Shelley was al met pensioen, haar 10 jaar jongere echtgenoot  – nee, negeneneenhalf, corrigeerde Marc – was nog aan het werk als analist bij de goudmijnen. Zij hadden vier kinderen, waarvan er ééntje bij hen thuis woonde met de kleinzoon. Rosa zat bij de politie en werkte heel erg hard, nam nooit vakantie zodat zij haar vrije dagen dan in één keer kon opnemen; ze zou in september 40 dagen naar Italië, Spanje en Portugal gaan. We wisselden foto’s uit van kleinkinderen en hadden een hoop plezier. Aan het eind van de avond werd ons gezegd toch vooral aan het ontbijt te komen de volgende dag. Waar we graag ja op zeiden.

Marshmallows roosteren, verder hebben we geen foto's genomen
Voor het eerst in de tent deze vakantie, het was er toch van gekomen! We doken in onze slaapzakken, constateerden dat het heerlijk lag en sliepen binnen twee minuten in.    

1 opmerking:

  1. Heerlijk om te lezen dat het ondanks de enkel toch genieten is!

    Martin en Marianne

    BeantwoordenVerwijderen