zaterdag 22 september 2018

Woensdag 19 september – dag 23: Taos – Santa Fe


Tandpasta schijnt voor heel veel dingen, naast het reguliere gebruik, een wondermiddel te zijn. Zo kun je er krassen mee uit je brillenglazen poetsen, een koortslip behandelen en allerhande vlekken uit verschillende materialen  verwijderen. Dat je het maar even weet.
Vanmorgen deed ik een blinde greep in mijn toilettas naar de voetencrème. Ik pakte het kleine tubetje, draaide de dop eraf en smeerde flink wat van de inhoud op mijn voeten. Huh? Tandpasta! In plaats van de voetencrème die mijn voeten in de droogte nog een beetje heel moet houden…  Ik had het erop kunnen laten zitten en eens zien of het ook voor dit doel een heilzame werking zou hebben. Vond ik echter toch geen goed idee, dus alles er maar weer afgepoetst en het juiste middel erop gesmeerd. Ik bleef die dag toch een beetje naar pepermunt ruiken.

Bij Smiths Supermarket haalden we verse broodjes, die er voor de verandering echt lekker uitzagen (wat niet wil zeggen dat ze ook lekker smáken), beleg en een nieuwe fles Clamato. Het was de beste supermarkt die we tot nu toe gezien hebben. Een saladbar waarvan je alleen al bij het langslopen ging watertanden, een afdeling met alle mogelijke verse vis, rijen vol met groenten en fruit. Bij het afrekenen stelde de man achter de kassa natuurlijk de obligate vraag ‘Hi guys, where are you from?’ Bij het horen van het woord Holland kwam hij achter zijn kassa vandaan en gaf hij ons een hand. ‘Welcome in the United States!’. Dit hadden we al vaker meegemaakt, en je kunt zeggen wat je wilt maar het is een ontzettend aardig gebaar. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit een toerist een hand heb gegeven om hem welkom te heten in Nederland. Maar goed, ik complimenteerde hem met de winkel en vol trots vertelde hij dat ze dat niet alleen vaker gehoord hadden maar ook bezig waren het nóg beter in te richten met verse en biologische producten.

We vertrokken naar Santa Fe. Je kunt via de high road of via de low road (van het liedje, weet je wel? “ I’ll take the high road and you take the low road, and I’ll be in Scotland before you” , The Bonnie Banks of Loch Lomond) Wij namen de low road. Deze weg langs de Rio Grande hadden we al eens eerder gereden en is zeker de moeite waard. Wat trouwens opvalt, overal in dit land: elk gehucht dat  nog in elk geval één inwoner telt beschikt over een volledig geoutilleerd postkantoor. Met alles erop en eraan.  Onwaarschijnlijk. Als je erop gaat letten tel je er zo twintig op een dag, als je onderweg bent. Een winkel is dan vaak in de verste verte niet te bekennen, maar postzegels kun je tenminste kopen!





Een verzamelaar aan het werk geweest
Het weer was inderdaad omgeslagen. Overal om ons heen zagen we donkere wolken waar hier en daar flink regen uitviel. Omdat de verwachting voor morgen nog slechter zou zijn besloten we nu maar direct door te rijden naar de Kasha Katuwe Tentrocks, een unieke rotsformatie ongeveer 30 mijl ten zuidoosten van Santa Fe. Om half twee reden we het park binnen. De openingstijden waren veranderd, in plaats van tot 17.00 was het nu geopend tot 16.00. Meteen bij binnenkomst werd ons verteld dat een ranger vanaf 15.30 de route door de slotcanyon zou schoonvegen zodat uiterlijk 16.15 iedereen in de auto kon stappen en wegrijden en het park om 16.30 echt afgesloten kon worden.



We hadden geluk dat het park open was. Het was enige tijd gesloten geweest vanwege de schade die recent noodweer had aangericht. Nu was daar niets meer van te zien. Op een bankje in de schaduw aten we de broodjes, die gelukkig echt lekker waren, en brachten we onze vochtbalans op peil. De route door de slotcanyon was niet lang, ongeveer 1,5 mijl. We hadden hem al eens gelopen en vonden het toen ontzettend leuk, met niet al te ingewikkelde paadjes maar wel genoeg uitdaging doordat je hier en daar moest klauteren, over stenen springen of je voeten links en rechts dwars op de rotsen zetten om zo een stukje te overbruggen (je hangt dan dus een stukje boven de grond).  Onze verwachtingen werden meer dan waar gemaakt, het was nog steeds even leuk. Trek wel goede schoenen aan; tot onze verbazing kwam er een dame naar beneden die eruit zag alsof ze langs de boulevard aan het flaneren was. Met een vrolijk gekleurd jurkje aan, stevig in de make up, danste ze op haar ballerina’s het pad af. Nou ja, dansen, meer glibberen eigenlijk. Want je hebt natuurlijk nul houvast met die gladde zooltjes. Een komisch gezicht was het.
Het laatste deel van de route klim je dan omhoog tot je over alles heen kunt kijken. Dat gedeelte kost wel wat meer inspanning. Vanwege de tijd én de hitte besloten we dit te laten voor wat het was en terug te lopen. Om kwart voor vier reden we het park weer uit, mooi op tijd dus. Het is beslist een aanrader, dit park. Ook met kinderen van een jaar of vijf, zes is de trail erg leuk om te doen.  












Ons Motel6 hadden we gauw gevonden. Zoals alle accommodaties lag het gewoon aan de weg waar we binnenreden. In het verleden hebben we veel vaker gebruik gemaakt van deze motelketen, maar de laatste jaren eigenlijk nooit meer. Ze hadden hier de kamers een facelift gegeven waardoor het stoffige karakter vervangen was door iets meer eigentijds. Ook de vloerbedekking – hoe verzin jet het toch, vloerbedekking in een hotel, je krijgt het nooit schoon – had plaatsgemaakt voor een nephouten pvc-vloer. Het bed was groot, enorm zelfs, met een stevige matras die we even gingen testen. We vielen er direct op in slaap, om na een uur wat verdwaasd wakker te worden. Ik keek uit het raam: het góót! En onze regenkleding lag in de auto, lekker handig. Op een goed moment, toen het even wat minder werd, konden we alsnog onze regenjacks pakken. Maar het bleef toch zo hard regenen dat we niet al te ver wilden lopen voor ons avondmaaltje.

Uit het raam had ik iets gezien dat op een restaurantje leek, dus eerst daar maar heen. Vinaigrette heette het. Een schot in de roos! Heel sfeervol ingericht, met allemaal producten van eigen boerenbedrijf op de kaart. Ze voerden een actief beleid wat betreft overgebleven eten: dat ging allemaal terug naar de boerderij om als veevoer te dienen en waar dat niet mogelijk was werd het gecomposteerd. We namen allebei om te beginnen een kom mushroom stew. Bij een stew denk je aan iets stevigs, maar dit was een kop gloeiend hete, fantastische zelfgetrokken bouillon bomvol allerlei verschillende paddenstoelen. Om het af te maken dreef er bovenin een stuk knapperig geroosterd brood. We aten nog net niet onze vingers erbij op! Daarna deelden we een warmgemaakte sandwich en ja, toen moest ik toch echt ook nog de lemon cheesecake proeven. Bert had in eerste instantie geen behoefte aan een toetje, maar toen er twee vorkjes bijgeleverd werden at hij zeker de helft op.😉



Geheel voldaan liepen we naar het motel terug, aan de overkant van de weg. Opnieuw zocht ik in mijn toilettas en nu ging het goed zodat de tandpasta kon doen waar hij voor bedoeld was.


Dinsdag 18 september – dag 22: Taos


In de vakantie, en zeker met kamperen waar kunstlicht ontbreekt, raak je het besef van tijd kwijt. Je hebt er geen idee meer van welke dag het is, of hoe laat het zal zijn. Als het donker is ga je slapen, als het weer licht wordt sta je op. Veel winkels zijn hier dag en nacht open dus daar hoef je ook niet over in te zitten. Wisselen van tijdzone? Maakt niet uit. Je hebt het niet eens in de gaten. Mijn horloge nam dit heel letterlijk en paste zich direct aan: het stond stil vanaf de eerste dag!

Vandaag begonnen we de dag digitaal. Ik werkte het blog bij en we zetten de foto’s in de cloud. Ook deden we de was en aten we eindelijk de meloen uit Green River op, die had al die tijd koud op ons liggen wachten in de koelbox. Toen we met alles klaar waren, vooral het laden van de foto’s duurde lang, was het half drie. Een goed moment om in de auto te stappen en de Enchanted Circle te rijden.

De Enchanted Circle is een rondrit van 84 mijl vanuit Taos, die nogal aangeprezen wordt. Wij reden hem met de klok mee. In de Lonely Planet stond dat je er zeker een hele dag voor uit moest trekken dus we waren benieuwd of we het in een uur of drie zouden redden. Was het inderdaad zo spectaculair? Nou nee. Mooi? Ja, dat zeker. Maar vergeleken met wat we allemaal al gezien hadden, en wat iederéén gezien heeft die hier een rondreis maakt, is de ophef een beetje overdreven. We passeerden na een rit door een omgeving die leek op die van de Ardèche het ski-oord Red River, wat er zeker gezellig uitzag met allemaal mensen op terrasjes en natuurlijk de nodige winkels om de plaatselijke economie wat op te kalefateren. Niet dat dat nodig leek, het was een bloeiende en bepaald niet armlastige gemeenschap zo te zien.

Na Red River kwamen we in Eagle’s Nest. Dat roept beelden op van het Adelaarsnest dat ooit aan Hitler toebehoorde, aan een geïsoleerde burcht bovenop een berg. Niets van dat alles. Je hebt wel het Eagle’s Nest Lake,  dat schijnt een paradijs te zijn voor vissers en natuurliefhebbers, maar daar moet je dan veel meer tijd voor uittrekken. Het plaatsje zelf, dat de naam Eagle’s Nest geadopteerd heeft, stelde niet veel voor. We zijn dus doorgereden.


Kom je dit opeens tegen onderweg....

Het Vietnam Veterans Memorial bij Angel Fire was echter wél zeer de moeite waard. Dat is opgezet door Victor ‘Doc’ Westphall, wiens zoon omkwam in Vietnam in 1968. Westphall en zijn vrouw Jeanne hebben het geld wat ze eerst in een resort in Angel Fire wilden steken samen met het verzekeringsgeld van hun omgekomen zoon gebruikt om dit Memorial neer te zetten. Westphall heeft het daarna tot zijn levenswerk gemaakt om het in stand te houden. Er is ook een kleine expositie ingericht met alle mogelijke attributen uit die periode, en er is een enorm archief waar  informatie te vinden is over alle gesneuvelden. Wat me echter het meest trof waren de pakjes tissues die overal stonden. Dat moet nabestaanden dan toch het gevoel geven dat er verdriet mag zijn, ook zoveel jaar na dato. Over de zinloosheid van deze oorlog, en van alle strijd die overal op de wereld altijd maar doorgaat , daar heb ik het nu maar niet over.  

Intussen was het landschap veranderd van bergachtig naar weids en open. Het deed denken aan de Cantal in Frankrijk, of aan de Hardangervidda in Noorwegen. Nauwelijks of geen bomen, veel stenen, mossen in allerlei groentinten, een beetje desolaat, ik vind het altijd prachtig. Na precies drie uur reden we Taos weer binnen. 








Omdat het pas half zes was hadden we nog tijd om de Earthship Biotecture Community te bezoeken, iets voorbij onze campground. Dat is een geweldig interessant initiatief waarbij huizen gebouwd worden van uitsluitend natuurlijke of gerecyclede materialen zoals oude autobanden. Ze zijn geheel zelfvoorzienend door o.a. solartechnologie – aan zon is hier namelijk in het geheel geen gebrek – en zien er heel fantasierijk uit. Je kunt er overnachten, een bestaand Earthship kopen of er zelf een bouwen. Gaudí zou zijn vingers erbij aflikken, óf de bouwers  een proces aandoen: zijn ideeën zie je hier overal terug. Zo zagen we net als in de Sagrada Familia flessen ingemetseld in muurtjes, en overal organische vormen in de gebouwen. Dat laatste zie je overigens ook veel in deze contreien terug in de adobe-huizen die op Indiaanse leest geschoeid zijn. We namen alleen foto’s van de buitenkant, het Visitor Center was al gesloten. Op internet zijn genoeg filmpjes te vinden waar je het hele concept kunt bewonderen.










Bij thuiskomst geen nieuwe buren dit keer. Die van gisteren hadden trouwens, heel aardig, een afscheidsbriefje onder onze ruitenwissers gestopt omdat wij nog sliepen toen zij vanmorgen vroeg vertrokken. De campingbaas kwam even melden dat het morgen zou gaan regenen, veel en langdurig. Wat? Regen??? Tot nu toe hadden we zo ontzettend veel geluk met het weer dat we geen een keer onze toevlucht tot een hotel hadden hoeven nemen. Enig onderzoek wees uit dat de baas gelijk had. Een stevig front met regen en onweer was in aantocht. Er zat maar één ding op: een hotel reserveren. Per telefoon kon ik een kamer regelen bij het Motel6 Plaza in Santa Fe, op loopafstand van het centrum. Heel betaalbaar. Wij zitten morgen droog!    


dinsdag 18 september 2018

Maandag 17 september – dag 21: Great Sand Dunes – Taos

Met het laatste restje yoghurt konden we nog net een ontbijtje fabrieken dat we wegwerkten voor we de tent weer inpakten om door te gaan. Het was geen spectaculaire rit en dus maakte ik van de gelegenheid gebruik om het blog bij te werken. De schootcomputer in al zijn functionaliteit benuttend. Vanaf San Luis, een onbeduidend plaatsje in New Mexico waar we inmiddels aangeland waren, begon alles duidelijk Mexicaans eruit te zien. Hoewel niet te vergelijken met het echte Mexico kregen we hier toch een heel ander gevoel dan in de voorgaande staten waar we doorgereden waren.
De rit ging vandaag naar Taos. Dat is een klein maar wel toeristisch plaatsje niet al te ver van Santa Fe af. We waren er in 2013 ook geweest en nu was dit eigenlijk het uitgangspunt van onze hele reis geworden. Bert wilde namelijk graag nog eens naar New Mexico en daar hoorde Taos bij. Het was nogal een gepuzzel om een goed reisschema samen te stellen vanuit Las Vegas, maar tot nu toe kunnen we zeggen dat het uitermate goed gelukt en vooral ook goed bevallen is! We hebben nog geen seconde spijt gehad van alles wat we gedaan hebben.  

In Taos moesten we even zoeken voor we de campground van John gevonden hadden. Gelukkig kon ik op ons blog nalezen hoe hij heette: Monte Bello RV Park. Toen waren we er zo. Er zijn maar vier tentplekken, die allemaal binnen een soort omheining van paaltjes liggen. Een soort coral, maar dan niet voor paarden. Vijf jaar geleden was er nog geen spoortje schaduw maar nu was er over de plaatsen een heel afdak gemaakt van boomstammetjes en dat scheelde aanzienlijk. We waren de enige kampeerders tussen een woud van RV’s. Het kon ons niets schelen, we wisten dat er voortreffelijke douches waren waarbij je een hele badkamer voor jezelf had, en bovendien konden we er nog een (waarschijnlijk laatste) keer de was doen. De tent stond snel, alleen de binnentent leek ons genoeg gezien het afdak.



In Taos was het rustig. Toen we er de vorige keer waren was er net een groot Mexikaans dorpsfeest, dat zorgde voor veel levendigheid natuurlijk. Nu was het toch een beetje een dooie boel. Er zijn ontzettend veel toeristenwinkeltjes met allemaal dezelfde producten, je vraagt je af of er ooit wel eens wat verkocht wordt. Nu is men hier niet alleen afhankelijk van het zomerseizoen,  ook de winter is een belangrijke bron van inkomsten, misschien nog wel meer dan in de zomer zelfs. Hoewel je het je nu haast niet voor kunt stellen zijn er tal van skigebieden in de omgeving.

We aten wat in de Eske’s Brewery and Eatery. Ze hadden nog precies dezelfde salade op het menu als in 2013: gemarineerde bieten op een bedje van gemengde sla, met geitenkaas en balsamico. Die vond ik toen heerlijk en dat nam ik dus weer. Nog steeds even lekker!

Bij de tent gekomen hadden we buren gekregen. Twee vrouwen in een piepklein tentje. Wat denk je: Nederlands natuurlijk! Dat werd een leuke ontmoeting. Zij maakten een rondreis vanuit Denver, waren zelfs inYellowstone geweest (waar de campground al gesloten bleek, ze hadden in de auto geslapen) en van daaruit via Zion, Capitol Reef, Moab en Monument Valley naar Santa Fe gereden. Dat alles in tweeëneenhalve week….Ze vonden zelf ook wel dat ze erg weinig tijd hadden voor alles.

Kijkend naar de sterren, tussen de boomstammen door, vielen we in slaap. Die momenten….goud waard!

De zon gaat onder....
...de maan verschijnt



Zondag 16 september – dag 20: Crested Butte – Great Sand Dunes


De zes families die de campground voor een groot deel in beslag namen hadden samen ongeveer twintig kinderen bij zich, in de leeftijd van zes maanden tot een jaar of acht. Ze waren gezamenlijk op pad. En ik moet zeggen, het was reuze gezellig! Die kinderen hadden de tijd van hun leven, met de (ondiepe) rivier vlak achter de tent en een grote bult zand op de parkeerplaats waar ze met hun kleine fietsjes vanaf konden crossen. Je moet het hier echt hebben van de weekenden want meer dan twee weken vakantie per jaar zit er niet in. Dat betekent vrijdag na je werk de hele mikmak inpakken en zondag alles weer opbreken. Zo ook nu. Om negen uur ’s morgens waren ze allemaal alweer aan het opbreken.  Een tijdje geleden vroegen we eens aan een stel dat we onderweg ontmoetten wat zij eigenlijk onder ‘dichtbij’ verstonden.  Ze woonden namelijk best dichtbij Arches National Park. O, maar een uurtje of vier/vijf rijden. Juist. Dan zijn wij heel Nederland al door, van Groningen tot Maastricht! Dat vindt men hier echter gewoon, en dan is het niet gek dat je een kampeerweekend alweer op tijd moet afbreken.


Deze keer ontbeten we niet bij de tent, maar reden we naar Crested Butte voor een degelijke en voedzame versie. Dat hadden we vorige keer ook gedaan, en toen moesten we vanwege het slechte weer eindeloos wachten op een plek bij breakfast café Paradise. Nu zou het wel meevallen. Dachten we. Niet dus. Wéér rijen buiten! We werden op een lijst gezet en liepen een ommetje door het dorp waarbij we vast een bak koffie haalden bij de plaatselijke boekwinkel die de inkomsten wat oppepte met een klein café erbij. Het was natuurlijk zondag, en dan wil iedereen kennelijk buiten de deur ontbijten. Ok, na precies 45 minuten waren we dan eindelijk aan de beurt. Tenminste, zo léék het. Eerst duurde het nog een tijdje voor de bestelling opgenomen werd door een volstrekt ongeïnteresseerde serveerster. Toen was het wachten geblazen. Tien minuten, twintig minuten, dertig minuten…ik zag aan Bert dat hij bijna onderuitging van de warmte en de honger. Hij vroeg aan de serveerster hoe lang het nog ging duren.  Ze haalde haar schouders op en draaide zich weer om. Dat was de druppel. We betaalden de koffie die we wél meteen gekregen hadden en vertrokken. In de auto aten we een banaan en toen zetten we koers naar de onwaarschijnlijk mooie weg over de Cottonwood Pass.

We namen op de 135 de afslag in Almont, naar de 742 en vrijwel direct zag ik een aardig restaurantje met een fijn terras. Daar stopten we, en binnen de kortste keren waren we voorzien van een heerlijke sandwich pulled pork, die we deelden. Het werd keurig doorgesneden op twee aparte bordjes voor ons neergezet. Toch nog gegeten! Al was het dan meer lunch dan ontbijt.

Op weg naar de pas stond er opeens een digitaal informatiebord met de volgende mededeling: de Cottonwood pass is gesloten dit jaar wegens werkzaamheden! Shit. Ik had van alles gecontroleerd van tevoren, maar dit niet. Nou ja, niets aan te doen. We keerden om en reden via Gunnison over de 114 richting Saguache om vervolgens door te gaan naar Taos. Ook nu passeerden we de continental divide, zoals we ook bij de Cottonwoodpass hadden zullen doen, maar deze was wel minder spectaculair. Niet qua hoogte trouwens, we zaten toch op 3089 m.



Op de  kaart – ja, zo’n ouderwetse papieren, soms gaat daar toch niets boven wat betreft  overzicht – zag ik dat we heel dicht bij het Great Sand Dunes NP kwamen. Daar is een hele goede campground, Piñon Flats. Een mooie tussenstop leek ons. En dat was het ook. We vonden direct een superplek, weer enorm groot en met voldoende schaduw. Aan het eind van de middag reden we nog even naar de wonderbaarlijke zandduinen. Van afstand lijken ze helemaal niet hoog maar dat zijn ze wel! Zeker als je door dat mulle, hete zand moet ploegen. In de zomer kan dat wel 65⁰ worden. Je verbrandt je voeten al als je het aanraakt…overal staan dus borden met o.a. als advies dat je dichte schoenen aan moet trekken. Wij bleven maar een beetje aan het begin, vonden we al mooi genoeg.





De avond viel vroeg, steeds vroeger wordt het donker. Om half acht moet je wel een lampje aansteken wil je nog iets zien. Ons vuurtje brandde, we aten pannenkoeken, constateerden dat het helemaal niet zo koud was en doken om half tien de tent in. Mooi geweest.





Zaterdag 15 september – dag 19: Gunnison – Crested Butte


Word je wakker, staat er opeens een ezel voor je tent! Op deze KOA liep dit beestje rustig los rond, natuurlijk tot groot vermaak van alle kinderen die we hem gisteren al in zijn kielzog zagen volgen. Het leidde nu af van de kou, want koud was het: twee graden vanmorgen toen ik uit bed kwam. Voor het eerst kwamen al die attributen van pas waarvan we ons afvroegen waarom we ze in vredesnaam hadden meegenomen: muts, handschoenen, sjaals, donsjacks. We hadden wel de mazzel dat onze tafel in de ochtendzon stond, dat warmde de boel redelijk snel weer op. Dat was wel nodig ook, want we hadden yoghurt met cruesli, aardbeien en banaan op het ontbijtmenu staan en dat is niet bepaald waar je zin in hebt als het bijna vriest. Dan wil je liever gebakken eieren met spek, maar ja, dat hadden we niet.



Na het ontbijt gingen we douchen. Op zich niet vermeldenswaard, maar in dit geval schenk ik er toch even aandacht aan. De preutsheid van de Amerikanen, ik schreef er al vaker over, geldt alleen het uiterlijk vertoon. Zodra je ergens een sanitairgebouw binnen gaat vallen de enorme kieren tussen de wc-deurtjes op. Overal. In warenhuizen, restaurants, campings, maakt niet uit. Hier was het nog een haartje erger: er zat zeker vijf centimeter ruimte tussen het schot van de douche en een van de wc’s. Concreet betekende dat dat degene die op de wc zat jou onder de douche kon zien, en, erger, jij degene op de wc….Zo mocht Bert genieten van een heerschap dat luidruchtig de verteerde etensresten van de avond ervoor naar buiten zat te werken en tegelijkertijd aan het bellen was. Tja.

Om nog even op hetzelfde stramien voort te borduren: met het grootste gemak laten hondenbezitters hun trouwe viervoeters uit op de tentplekken. Op deze camping zagen we minstens tien honden – nou ja, meestal hondjes, ze grossieren hier in mini-doggies – hun behoefte doen vlakbij de picknickbanken die bij de tentplekken horen. Want ja, het hondenuitlaatveldje, waar ze nota bene los mogen lopen, is toch zeker 100 meter verder. Veel te ver. Alles werd overigens wel direct keurig opgeruimd door de baasjes, maar toch. Ik wou dat ik een hond bij me had gehad, dan zou ik die voor de ingang van de RV uitlaten. Nu konden we niet veel meer dan een klacht indienen waar met enige verwondering – waar maakt u zich druk over? – op gereageerd werd.

Op weg naar Crested Butte stopten we eerst nog even in Gunnison. Het leek namelijk best een aardig plaatsje met toevallig een klein marktje. We vonden makkelijk een parkeerplaats maar het was ons niet helemaal duidelijk of je nu moest betalen of niet. Er stond dat de maximale tijdsduur twee uur was maar nergens een automaat. Ik vroeg het dus maar even aan iemand. Die iemand, een vrouw, schudde me meteen hartelijk de hand en stelde zich voor. Vervolgens begon ze te ratelen en binnen vijf minuten had ze haar hele levensloop zo ongeveer op tafel gelegd. Ze was van oorsprong Italiaanse, uit Lugano. Ze was 44 jaar getrouwd, en nu eindelijk weer ‘vrij’. Ik probeerde steeds informatie over het parkeren te krijgen maar het was onbegonnen werk. Na een minuut of tien had ik pas mijn antwoord: ze controleerden door een krijtstreep op je banden te zetten en na twee uur te checken of je er nog steeds stond. Ik maakte aanstalten om weer naar de auto te lopen waar Bert zat te wachten, maar ik kwam echt niet zomaar weg. Ze vroeg of we misschien iets wilden kopen in haar winkel. Wacht, beter, ze liep wel even mee. Alleen creditcards. Oef. Hier zou alleen cold turkey helpen dus ik zei: “nee, we gaan hier alleen koffie drinken en dan weer door. Mijn man wacht op me.” En toen draaide ik me om. Pfff….ook ík was nu eindelijk vrij! 😁

Het was een biologische boerenmarkt met ook heel veel esoterische producten. Daar zijn ze hier vrij goed in. We kochten er een vers gebakken desembrood met kaneel en rozijnen, dat kun je heel lang goed houden en smaakt ook geroosterd heerlijk bij het ontbijt. In Main Street zagen we hetzelfde als in veel andere plaatsjes, een keur aan hippe winkeltjes die deels nog hun roots hadden in de jaren zestig. We dronken er een uitstekende bak koffie en liepen toen, enigszins omzichtig om ons heen kijkend, terug naar de auto. Gelukkig geen Italiaanse meer!

Crested Butte was maar een half uurtje rijden. De omgeving was nog net zo mooi als we ons herinnerden van twee jaar geleden. Het is een beetje een aparte plaats, een combinatie van een zeer mondain ski-oord met ook hier weer een hoog hippie-gehalte wat betreft winkeltjes en horeca. De eerste campground die we bekeken lag in de buurt van Crested Butte –South en dan nog een heel eind rijden over een dirt road. Er waren 13 plekken, allemaal  bezet. Geen wonder natuurlijk op zaterdag. Dus reden we door naar de plek waar we in 2016 in de sneeuw geëindigd waren, ten noordoosten van Crested Butte. Een gratis campground beheerd door het BLM, Bureau of Land Management. Moeiteloos vonden we de weg ernaar toe, hoewel het veel verder weg was dan we in ons hoofd hadden. Ook hier moesten we een flink stuk dirt road rijden. Bij aankomst bleek BLM ook de voordelen van een camping-fee ontdekt te hebben, nu kostte een plek mét picknickbank $10 en zónder $5 (het is een campground zonder faciliteiten als water, er zijn wel compost-wc’s). Moest je wel een plek hebben natuurlijk. We schrokken even, het stond er al erg vol. Een stuk of zes families met aftandse vouwwagens en afgeragde caravans hielden een groot deel van de plaatsen waar je met de auto kon komen bezet. We liepen wat rond en eigenlijk was alles wat voor ons geschikt was al in gebruik. Alleen op plek nummer 5 stond nog geen tent, er lag alleen een motorhelm op de picknicktafel. Even later kwam er een jongeman aan die vroeg of wij ook op zoek waren. Ja dus. Hij was de eigenaar van de helm en twijfelde erg, hij wilde liever een gratis plaats. “Nemen jullie deze maar hoor!” zei hij. Ik stelde nog voor om de plek te delen, maar hij pakte zijn helm, zwaaide naar ons en vertrok. Mazzel dus weer! De campground heet nu ‘Oh be Joyful’, misschien kwam het daardoor??

Onderweg
Plek 5

De rest van de dag liepen we wat rond in de omgeving, ontdekten nog best veel lege plekken waar je dan wel een stukje naar toe moet lopen, en genoten vooral van de kleurenpracht  op de omringende berghellingen. ’s Avonds roosterden we worstjes en groenten op het vuur, met dikke kleren aan. Want hoewel geen sneeuw, koud was het wel!





De stoeltjes bij de rivier gezet: heerlijk zitten lezen!



zondag 16 september 2018

Vrijdag 14 september – dag 18: Colorado Monument – Gunnison


Doel van vandaag: Crested Butte. Of we dat gingen halen? Geen idee. We reden rond half elf weg en maakten nog een lange stop in Fruita, onderaan de berg. Eerst op de parkeerplaats van de McDonalds, voor de Wifi. Zo konden we eindelijk de foto’s van de sd-kaartjes uploaden naar Google Foto’s zodat we ze niet meer kwijt konden raken (tegenwoordig zeg je geloof ik ‘zodat ze niet meer kwijt zijn’, maar ons bent nog van de oude stempel). Toen we daarmee klaar waren en nog even wilden tanken zagen we dat er ook een Starbucks om de hoek was, en tja, toen moesten we wéér stoppen. Je weet tenslotte maar nooit of ze die heerlijke Morning Buns hebben. Nou, die hadden ze! Zo waren we, inclusief koffie, alweer een half uur verder. Ach, vakantie hè.

Al met al was het half twaalf toen we eindelijk op weg gingen. De weg naar Montrose (waar ze helaas ook geen Ford Explorer in de aanbieding hadden) was niets bijzonders, de weg naar Gunnison daarna daarentegen was voor de zoveelste keer adembenemend mooi. Een heel ander landschap, beetje zoals de hoogvlakte van de Cevennen of de Hardangervida in Noorwegen. Na enige tijd reden we een heel stuk langs het Blue Mesa Reservoir, het stuwmeer gevormd door een dam in de Gunnison River. Echt schitterend. Er lagen vele campgrounds aan deze weg, sommige nog een flink eindje het binnenland in en andere direct aan de weg, maar we vonden het nog veel te vroeg om te stoppen. Uiteindelijk  besloten we de KOA in Gunnison als tussenstop aan te doen. Belangrijkste overwegingen: we konden de was weer eens doen en er waren douches. Bij de Saddlehorn campground stond weliswaar aangekondigd waar je kon douchen, ergens bij een community center, maar dat vonden we teveel gedoe. Bovendien was er ter plekke een fantastische wasgelegenheid waar we prima mee uit de voeten konden. Maar als je dan de mogelijkheid hebt tot het nemen van een stortbad – zo heette dat vroeger echt, oma vertelt-  moet je het vooral niet laten natuurlijk.

Bij de KOA vonden we een goede, ruime plek. Ook nog op gras, heel fijn. In Montrose hadden we de voorraad verse groenten, fruit en vlees flink aangevuld. We aten die avond dan ook voortreffelijk: aardappelpuree met lamsbout, jus met gesauteerde kastanjechampignons en verse sperzieboontjes. En wat de avond helemaal afmaakte: we stookten ons eerste vuurtje! Het kwam er eerder niet van omdat het op heel veel plaatsen ten strengste verboden was, wegens extreme droogte, en op andere plekken was het ook ’s avonds zó warm dat je er niet aan moest denken daar zelf nog een schepje bovenop te doen. Maar hier werd het koud, behoorlijk koud zelfs. Voor de nacht gooiden we daarom al onze thermokleding in de strijd. Hoe het afgelopen is? Morgen verder!