Vannacht tikte de thermometer 0⁰C af. Onze slaapzakken zijn
echter zó warm dat we daar helemaal niets van gemerkt hadden. Sterker nog, we
hadden heerlijk geslapen! Alleen dat opstaan, dat is dan wel even doorbijten.
Voor het eerst had ik zowel mijn muts op als mijn donsjas aan en daarbij nog
mijn skihandschoenen. Onze overbuurman, hij sliep in zijn auto, leek het ook
koud te hebben. Ik vroeg hem dus of hij zin had in koffie en dat was niet tegen
dovemansoren gezegd. Tja, en dat was dan de zoveelste bijzondere ontmoeting.
Hij bleek kunstenaar, net als zijn vrouw, en verwoed fietser. Twee jaar geleden
had hij met een groep andere fietsliefhebbers een maand door Nederland gefietst
en dat had grote indruk op hem gemaakt. Niet alleen het land, waar ze aardig
veel van gezien hadden, maar ook het respectvolle gedrag van de automobilisten
naar fietsers toe. Nou, toen moesten we wel even lachen. Wij vinden namelijk
juist dat de Amerikaanse chauffeurs zo ontzettend galant zijn. Toen we
eergisteren met Martin en Marianne ergens over wilden steken, en ik wat
achterbleef op de stoep, bleef een passerende auto net zolang stilstaan tot ook
ík achter een geparkeerde auto vandaan kwam. Anticiperend rijden heet dat…En
dan in Nederland; daar mag je blij zijn als je niet van de sokken gereden wordt
door een of andere vierwieler. Uitzonderingen daargelaten. We kletsten er met Nard, zo heette hij, heel
wat af. Hij gaf ons zijn kaartje met het verzoek hem de link van ons blog te
sturen, dat gaan we zeker doen.
Na het ontbijt wilden we naar het trailhead rijden van
waaruit je van Crested Butte naar Aspen kunt lopen. Een middelzware tocht van
in totaal 11 mijl (alleen heen), waarvan we een deel zouden doen. De hoogte
speelt ons nog steeds aardig parten, we zitten steeds rond de 3000 meter of
hoger. Aan de Oklahoma-man hadden we gevraagd hoe we er moesten komen. Hij had
ons dat nauwkeurig uitgelegd en ons verzekerd dat het zou lukken met onze AWD
(All Wheel Drive). Vol goede moed gingen we dus op pad, hem wel vriendelijk
verzoekend ons te komen zoeken als we die avond niet thuis zouden zijn...
Vanaf de campground hoefden we eigenlijk alleen maar de weg
te vervolgen. Dat ging heel goed. We doken wederom door een wash en passeerden
het gehucht Pittsburgh. De kuilen werden allengs dieper en de weg smaller. Om
de haverklap stonden we stil om rond te kijken en foto’s te maken. Op een goed
moment moesten we een scherpe bocht maken, om daarna tegen een weg op te kijken
met een helllingspercentage van naar schatting 20%. Met aan één kant een
afgrond. Enigszins vertwijfeld stonden we ernaar te kijken toen er een pick-up
aan kwam rijden. De bestuurder keek naar onze auto, en gaf het dringende advies
maar om te keren. Het werd namelijk daarboven alleen nog maar veel steiler…Tja,
die raad konden we eigenlijk alleen maar opvolgen. Als een local dat zegt, dan
is het zo. Toen we zagen hoe langzaam hij, de 4x4 functie ingeschakeld, naar
boven vertrok waren we allang blij dat dat onze deur voorbij ging. We durven
best wat aan, maar als we hier op deze helling vast waren komen te staan, terwijl je niet kunt
keren, ik moet er niet aan denken.
Maar niet getreurd,
er was nog zoveel moois te zien. We reden terug, een klein stukje voorbij de
camping, om een kijkje te nemen bij de Gunsight Bridge. Een nieuw aangelegde
brug van waaruit je onder andere de Upper Loop van de Slate River (waar de
campground aan lag) kon lopen. Dat deden we. En hier zagen we toch echt een
flink aantal Aspen al in de goudgele herfstkleur, dat alleen was al de moeite
waard. Wat we ook tegenkwamen waren de restanten van de vroegere mijnbouw, met het dringende verzoek dat gebied niet te betreden in verband met de gevaarlijke stoffen die nog in de bodem en in het puin aanwezig waren.
Na deze tocht reden we naar de Washington Gulch, ook alweer zo’n mooie
weg. Aan het eind ervan zagen we een dispersed campground. Dat betekent dat je
in een National Forest vrij kunt kamperen, buiten de gewone campgrounds om. Het
mag op heel veel plaatsen en het is altijd gratis. Een enkele keer zijn er
zelfs voorzieningen, maar dat hebben wij niet meegemaakt. Je moet dus in elk
geval water bij je hebben. Deze was ook weer schitterend gelegen maar wel een
stuk verder van de bewoonde wereld af. We lunchten er, gezeten op een grote
steen die ze vast speciaal voor ons daar hadden neergelegd. Stil aten we onze
boterhammen, alles goed in ons opnemend. Wat een rijkdom!
Om een uur of vier waren we terug bij de tent. Het was
prachtig, zonnig weer en we zaten een hele tijd te lezen bij de rivier. De
fietsende kunstenaar kwam, tot de zon weg was, bij ons zitten met een biertje
en een boek, en zo zaten we daar in stilte. Om een uur of half zes ging Bert
koken, weer eens wat uitgebreider, en ik schreef wat aan het blog. Bert had Nard
ook uitgenodigd voor het eten, maar die had het net achter de kiezen. Omdat
zijn vuurtje meer een poging leek om rooksignalen naar Donald T. te verzenden
(met welke boodschap laat ik in het midden) en dat van ons goed vlamde kwam hij
er gewoon gezellig bijzitten. Hij nam een zak van de allerheerlijkste druiven
voor ons mee en we hadden het weer reuzegezellig. Goed voorverwarmd kropen we
in onze slaapzakken om alweer een zeer koude nacht te trotseren. Uit voorzorg
hield Bert z’n muts maar op. Alleen Ernie ontbrak.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Leuk als jullie een reactie achterlaten!