woensdag 25 september 2019

Zondag 22 september – dag 29: Creede – Heron Lake (New Mexico)


‘Alleen als ie ijs- en ijskoud is!’ Deze slogan van Jägermeister uit 1992 was vanmorgen op ons van toepassing. Het was namelijk -8 geweest vannacht. En wij waren, eenmaal uit de slaapzak, ijs- en ijskoud geworden. Het enige wat we konden doen was zo snel mogelijk naar de lobby om ons daar wederom te laven aan warme koffie. De kring van wijze mannen zat al op ons te wachten, belust op een beetje sensatie. Waren we bevroren geraakt, of konden we al onze vingers en tenen nog bewegen? Nou, dat viel nog best mee. En toen zoon Philbern ons zo eens aanzag kwam hij langs met twee grote appelflappen, huisgemaakt. Zo kon ons motortje weer langzaamaan gaan branden. We keken wat in het rond, overal hingen oude gereedschappen en andere parafernalia. De baas, die als enige van de manschappen was blijven zitten, vertelde dat we de gang maar eens in moesten lopen. Daar hingen allemaal foto’s van hem en John Wayne. Die kwam vroeger namelijk regelmatig logeren in de Blue Creek Lodge. 

Toen we dat uitgebreid bewonderd hadden deed hij het hekje van de keldertrap voor ons open. Daar moesten we ook maar eens kijken. Zelf kon hij die trap niet af dus gingen we samen. Om terecht te komen in een opslagplaats met nog veel méér oude attributen. Rijen met vleesmolens, snijbonenmolens, boren, zagen, flessen, pannen, paardentuig,  zelfs een oude parkeermeter die iemand kennelijk gesloopt had. Verder stonden er ontzettend veel lege dozen van televisies en andere elektronica. Een koffiezetapparaat, half uit de verpakking. Tientallen stoelen en tafels. Een oude houtkachel. Teveel om op te noemen! Ook was iemand begonnen met een muurschildering maar die was nooit afgekomen. We keken onze ogen uit. Helemaal onder de indruk van dit rariteitenkabinet kwamen we weer boven, waar nu iedereen weg was.


Uitzicht vanuit de lobby

De lobby zelf is ook al een rariteitenkabinet

Deze beer heeft het er niet levend afgebracht, hij stond hier bij de ingang










Op de keldertrap lagen wat kogelhulzen. In de kelder zelf lagen dozen vol kogels 

Nadat we genoeg koffie naar binnen hadden gewerkt en de zon een heel klein beetje warmte begon te geven maakten we ons op om te gaan douchen. Gisteren vond ik het douchegebouw heel koud, nu voelde het juist warm aan. Zó koud was het buiten dus. Mijn douche-olie was zelfs bijna bevroren! Na de douche, onze haren stonden nog net niet als ijspegels op ons hoofd, braken we de tent af. Letterlijk dan. Want we gingen naar Santa Fe, New Mexico met eerst nog ergens een tussenstop van een nacht. In een kwartiertje zat alles weer in de auto, inclusief wat extra hout dat we mee mochten nemen. Onze laatste nacht moesten we nog betalen en als dank voor ons verblijf kregen we daarbij allebei als aandenken een ledlamp-sleutelhanger mee, die normaal gesproken voor $3,50 verkocht werd. Zoon nam ons nog even mee naar de linnenkamer, waar ook een oude keukenkast stond. In die kast stond iets wat leek op een groot blik, maar het was een molen waarmee men zelf het graan tot meel maalde. Elk huishouden had er vroeger een, vertelde hij. Het Kleine Huis op de Prairie (van Laura Ingalls Wilder), je zag het voor je. Het klinkt allemaal heel idyllisch maar het was gewoon keihard werken om te overleven.

De keukenkast met links de graanmolen

De graanmolen met John Wayne als begeleider
Zoon ging door, aan het werk, en de vrouw van de baas die inmiddels ook binnengekomen was maakte aanstalten om al het beddengoed van de gasten te gaan vouwen. Dat was een berg van ongeveer vijf meter breed en anderhalve meter hoog. Ze vroeg aan ons hoelang we getrouwd waren. Meer dan veertig jaar, zeiden we. Nou, dat was nog niks hoor. Zij zouden in december vijfenzestig jaar op hun conto kunnen schrijven! ‘Well, we can’t beat you!’ was het enige wat we daarop te zeggen hadden. Ze vroeg of we al boven gekeken hadden, waar de kamers waren. Nee, nog niet. Ga maar gauw dan, daar hangen allemaal jachttrofeeën.


We klommen de zelfgemaakte trap op, met een leuning van gebogen takken. Opnieuw vielen we van de ene verbazing in de andere. Koppen van elks en een zwijn, een opgezette fazant, berenhuiden (er lag ook iets over de piano) maar het klapstuk was toch wel een opgezette bergleeuw die er zo echt uitzag dat je er voor de zekerheid maar met een boogje omheen liep. Allemaal geschoten door de baas. En het enige wat hij nu nog doet was gelei maken…Dit huis was gewoon een museum! We namen hartelijk afscheid, daarbij benadrukkend dat we ons nog nooit op een campground zo welkom hadden gevoeld.

De trap met de leuning van takken






Na deze bijzondere ervaring gingen we op weg naar New Mexico. Op de kaart had ik gezien dat er in het Heron Lake State Park, niet ver over de grens met Colorado, een campground was. Dat leek het proberen waard. Toen we er aankwamen bleken het meerdere campgrounds achter elkaar te zijn, waarvan de eerste gesloten was wegens einde seizoen en de tweede alleen geschikt voor RV’s. Bij de derde stond net een ranger bij de ingang en op onze vraag of hier wél tentplekken waren verwees hij ons naar het einde van het terrein. Daar waren prachtplekken. Enigszins sceptisch volgden we zijn advies, maar of hij gelijk had! We vonden een superplek met uitzicht op het meer en heel veel ruimte. Er stond nog één andere tent, en op de plek net boven ons was een stel met twee kleine kinderen aan het genieten van hun vrije dag. Zij vertrokken een uurtje later zodat we het rijk ongeveer alleen hadden. Hoe is het toch mogelijk dat we steeds zoveel geluk hebben? De ene plek is nog mooier dan de andere…








We installeerden ons met een boek in de zon en lazen een tijdje, liepen daarna even naar het water (geen zwemwater) om wat plaatjes te schieten, dronken een glaasje, maakten een vuur en kookten ons maaltje. Wat wil een mens nog meer?? En het mooiste was, we hadden geen Jägermeister meer nodig. Het was hier veel warmer!

dinsdag 24 september 2019

Zaterdag 21 september - dag 28: Creede


Hete koffie, dat was wat ik nodig had! Zoals gewoonlijk was ik vroeg wakker, zo rond zes uur, maar omdat het veel te koud was je neus boven de slaapzak uit te steken bleef ik nog twee uur liggen. Om acht uur vond ik het wel genoeg, en met ware doodsverachting waagde ik de sprong naar buiten. Bert lag nog geheel onzichtbaar in zijn slaapzak, alleen een klein plukje haar stak erbovenuit. Ik liet hem maar lekker liggen.


In de huiskamer zat een stel mannen om de ronde tafel, met het oudste lid van de Philbern Family – die runnen het bedrijf al meer dan dertig jaar – als hoofdpersoon. Hoewel hij behoorlijk slechthorend was en lang niet alles van het gesprek meekreeg genoot hij overduidelijk. Af en toe werd zijn mening gevraagd en die gaf hij met plezier. Dat is wel opvallend hier. Waar wij ouderen – pardon, senioren – vaak wat badinerend behandelen , tellen ze hier voor de volle honderd procent mee en worden ze juist gewaardeerd om hun wijsheid. Ik schrijf dit natuurlijk vooral op ter eer en meerdere glorie van onszelf omdat wij  óók tot deze categorie behoren 😀.
Verder was alleen de schoondochter aanwezig, die met de zoon het bedrijf runt, daarbij bijgestaan door de oudere generatie. Zij wees me de koffiepot achter de toonbank: ‘pak maar hoor!’ Naast haar zaten twee honden, de één een wat oudere Goldendoodle en de ander een Labradoodle van slechts vier maanden oud. Geweldig leuke honden, heel sociaal en met de belangrijke eigenschappen dat ze én niet verharen én niet stinken als ze nat geworden zijn. Daardoor ook heel geschikt voor mensen die allergisch zijn voor honden (letterlijk dan).  Als ik ooit weer een hond zou willen zou ik er zo een nemen.

Terug bij de tent maakte ik Bert wakker en zetten we ook nog een flinke bak kampeerkoffie. Langzamerhand kwam de zon door en warmden we een beetje op. Zoon Philbern kwam even melden dat de thermometer vanmorgen om acht uur -2,2C had aangegeven! Wij vonden dat een goede reden om warme pancakes te bakken. Dat is echt iets anders dan de Hollandse pannenkoek, daarom hou ik de Engelse naam maar aan. En passant vertelde de zoon dat hij, samen met zijn vader (die nu 87 bleek te zijn, dat hadden wij hem toch niet gegeven), alle houten huizen en cabins had gebouwd op het terrein. Inclusief zijn eigen woonhuis. Gouden handen dus, en die komen hier goed van pas. We vroegen of we nog wat hout konden kopen, we zouden vanavond nogal wat nodig hebben om niet voortijdig als ijskoning(in) te eindigen. ‘O nee hoor, hoef je helemaal niet te kopen! Haal maar zoveel als je nodig hebt, er ligt een hele grote stapel in de schuur. Je moet het beslist niet koud krijgen!’ Dat afgezet tegen de woekerprijzen die we hier soms moesten betalen voor vijf blokjes maakte dat we ons extra welkom voelden.




Pancakes bakken

De zon!
Na de pancakes reden we naar Creede om eens te zien of het wat was, die oldtimershow. Nou, en het was wat! De hele hoofdstraat stond vol met de meest waanzinnige modellen, de een nog mooier gepimpt dan de ander. Het was een gezellige drukte, met niet eens al te veel publiek zodat je overal makkelijk bij kon. We namen ruim de tijd om alle exemplaren te bekijken, en dan ging het niet alleen om de auto’s maar ook om hun eigenaren. Die zaten soms in hun eentje, soms met een hele familie op kampeerstoeltjes langs de kant. Heel relaxed allemaal.













Main Street

We dronken een kop koffie bij Coffee and Fish, waarbij dat laatste niet stond voor een gebakken scholletje maar voor de gehele vissersuitrusting die je er kon kopen. Toen gingen we op zoek naar een brievenbus. Tenslotte heeft elk gehucht een postkantoor, en inderdaad liepen we er een tegen het lijf. De bus stamde nog uit de jaren twintig van de vorige eeuw maar dat maakt hier allemaal niets uit. Zolang het werkt, werkt het. Bert gooide de kaarten in de houten bak waarop stond ‘out of town’ en we hoopten nu maar dat ze ook daadwerkelijk naar Nederland gevlogen zouden worden, of misschien eerder per stoomschip/postkoets vervoerd. Je weet het nooit hè?




Nadat we alle automobielen uitgebreid bekeken hadden reden we de Bachelor Loop. Dat is een autoroute van 17 mijl die langs restanten van de vroegere mijnbouw voert. Wij reden hem vanaf het South Entrance Point. Overal stonden informatiebordjes, maar in het begin van de route zagen we daar niet veel. We vonden wel dat de waarschuwingen weer schromelijk overdreven waren: erg steil, heel smalle weg, rij voorzichtig! Nou, de weg was breed en niet steil. Wel was het een dirt road, maar een in de categorie makkelijk. Tot we over de helft waren. Toen bleken al die waarschuwingen waarachtig op hun plaats! Het was vooral het laatste stuk één en al hobbeldebobbel, onze kleinkinderen hadden dat vast prachtig gevonden. Nog een keer, opa! Maar het meest interessante was dat we daar echt iets zagen van de mijnen. Je zag een karretje op de rails zo de berg in verdwijnen, op weg naar het iets mindere goud (want zilver). Wij namen aan dat deze route zijn  naam dankt aan het feit dat de ingehuurde mijnwerkers allemaal vrijgezel waren, maar zeker weten doen we dat niet. Hoe dan ook moet het een keihard leven geweest zijn (en dat is het nog, voor al die mijnwerkers die in de wereld actief zijn). 





















Toen we later in Blue Creek vroegen waarom er relatief zo weinig mensen op de autoshow af waren gekomen hoorden we dat Creede zelf maar 400 inwoners heeft, maar in de zomer compleet overlopen wordt door de toeristen. Op Independence Day, 4 juli, waren het er dit jaar 14.000! Je moest je met je ellebogen door de massa wurmen. Nu, later in het seizoen, kwamen er gewoon minder mensen op dit soort activiteiten af.

Na deze heerlijke ontspannen dag werd het tijd voor een flink vuur want zodra de zon achter de bergen verdween werd het ontzettend koud. We vulden de vuurbak dus goed en legden vast een houtvoorraadje aan voor de rest van de avond. Terwijl we met het eten bezig waren kwam de buurman van de camper naast ons even kletsen. Twee mensen in een tent in de vrieskou, dan moet je wel even checken wat voor vlees je in de kuip hebt nietwaar? Hij vertelde o.a. dat hij vorig jaar z’n bekken gebroken had bij het skiën. Nu was hij 84 maar hij was zo goed opgelapt dat hij best weer op de lange latten de berg af kon…Als hij net zo snel zou skiën als praten was het niet verwonderlijk dat hij onderuitgegaan was, hij zat op z'n praatstoel en kwam er niet vanaf. Pas toen ons eten begon aan te branden en die lucht onze kant op kwam liet hij ons weer alleen, met excuses dat hij ons van het eten had afgehouden. Aardige man, dat zeker.







We zaten lange tijd bij het vuur te lezen en te genieten van de uitgestanste figuren die door de rand van de vuurbak zichtbaar werden. Ik denk dat we wel vijftien houtblokken verstookt hebben. Toen we de drie meter naar de tent liepen om te gaan slapen waren we direct weer afgekoeld. Dat beloofde wat voor vannacht…